Alledaags

Datum: 1 mei 2011 / Editie: May 2011 / Auteur(s): Minka Bos

Het leven van oudere mensen in de buurt

De tweekamerwoning van Theresia Lafleur 84 jaar), aan de Jozef Israelskade is vol: vol met schilderijen en foto’s. Zelf geschilderde, kleurige olieverfdoeken vullen alle gaten van de grond tot aan het plafond.

En in een kast staan rijen lijstjes met foto’s: als bewijsstukken van mooie, oude herinneren, waardevolle momenten en verloren liefdes. “’Pluk de dag, het is later dan u denkt.’ Schreef een vriend van mij op zijn celwand tijdens de oorlog. Ik heb gemerkt dat hij gelijk heeft: als je zo oud bent als ik dan merk je dat het leven maar heel kort is.”

Met haar ouders, twaalf broers en zussen en joodse onderduikers woonde Theresia tijdens de Tweede Wereldoorlog in een tweekamerwoning in Amsterdam Oud West. “’De muren hier zijn rekbaar,’ zei onze huisdokter altijd. “Met z’n zeventienen zaten we aan tafel. Er werd gekookt op een kacheltje. En gemusiceerd. Tussen de schuifdeuren. Mijn zussen en broers studeerden zang, piano en viool. Ik oefende op mijn viool. Vaak namen mijn broers hun rienden van het conservatorium mee naar huis. Vader regelde de voedselvoorraad en was samen met mijn oudste broers actief in het verzet.

Moeder zorgde voor iedereen. Ook voor onze drie overbuurmeisjes die tijdens de oorlog hun moeder hadden verloren. Elke avond aten we samen en na het eten werd vaak tweestemmig gezongen, ‘Op de grote stille heide’ en andere liedjes. Door de week leefden we sober: dan was er geen snoep of koek bij de koffie. Maar wel in het weekend. Zaterdag en zondag hadden een andere kleur, we kleedden ons mooi aan, er waren chocoladekoekjes en limonade. Op zaterdagavond werden de kranten neergelegd en aten we samen pinda’s. Dan ging mam onderwijl kousen stoppen en pelden wij pinda’s voor haar. En zaterdagavond was er steevast salade of soep.”

Soep en salade serveert ze nog altijd voor zichzelf op de zaterdagavond. En het weekend heeft die bijzondere kleur behouden: “Door de week leef ik sober: elke dag sta ik om acht uur op en eet een droge boterham met halvajam. Na het douchen maak ik mijn huis gezellig: ik maak mijn bed op, was af, zwabber de vloer. Pas daarna mag ik koffie drinken, zonder chocolaatje erbij.

Het weekend is anders: dan zet ik lekkers op tafel, ik kleed me mooi aan. En op zaterdagmiddag staat er steevast een borrel op tafel, met nootjes en haring.”

De viool heeft geen plek meer in huis. Wel handschoenen om te tuinieren en een schildersezel. Op kleurrijke olieverfdoeken verschijnen haar dierbare verloren geliefden en heeft ze mooie vergane momenten nauwgezet uitgewerkt. “Elk leven is als een roman: iedereen kent schoonheid en verdriet in z’n leven. Gelukkig kan ik me blijven verwonderen. Over de bomen die ook dit jaar weer hun wufte bloesem laten zien, het ontluiken van de prille lenteblaadjes. Een klein kind dat dapper door de wereld stapt. Geluk is niet groot, ze zit in de hele kleine dingetjes.”

Alledaags

Datum: 1 april 2011 / Editie: April 2011 / Auteur(s): Minka Bos

Het leven van oudere mensen in de buurt

Nu woont de 80-jarige Trees Stroop-de Nijs in een appartementje aan het Merwedeplein in de Rivierenbuurt. Maar ooit begon haar leven in Indonesië.

In 1931 werd ze geboren in een groot huis, bij liefdevolle ouders. Ze was het oudste kind: vertroeteld door de hele familie en het personeel. Op zaterdag gingen ze naar het strand, gebracht door de chauffeur. Met Oud en Nieuw stak de tuinman de vuurwerkmatjes af. “Ik was een vrolijk kind. Met zwierende armen en benen.”

In 1942 splijt de oorlog een kloof in het gezin. Een definitief einde van de zorgeloze, rijke, jonge jaren. Na de evacuatie komt de toen 16-jarige Trees de Nijs in 1947 met de boot in IJmuiden aan. “Dat was een mistroostige aanblik. Vanaf de railing van de boot keken mijn vader en ik over de grijze kade waar mensen stonden, ingepakt met mutsen op en opgetrokken dikke jassen aan. Het was winter en -11 graden. In mijn fladderende jurkje met zomerschoentjes, zette ik eerste voet aan wal in koud Holland.”

Bijna 70 jaar later vertelt Trees vanuit haar nieuwe appartement in de Rivierenbuurt. Ze moet wennen zegt ze, ze mist De Pijp, waar ze 40 jaar lang woonde aan het ‘gouden randje’: de Stadhouderskade. “In een huis waar ik alles voor het eerst meemaakte: mijn huwelijk, mijn eerste kind, het moederschap, het overlijden van mijn man.” Daar had ze haar plantjes en bloemetjes buiten voor de deur staan. Die verzorgde ze elke dag, en altijd was er wel iemand om een praatje mee te maken. De kade was vol leven. Nu kijkt haar raam uit op het strak ontworpen Merwedeplein. Het is in stilte gehuld.

Haar huis is gevuld met herinneringen aan de mooiste tijd van haar leven: foto’s, beeldjes van Balinese danseressen, schilderijen met rijstplantages en een hoge berg: “Die berg heet de ‘Slapende Vrouw’, daar woonden wij tegenover.” “’s Avonds eet ik nog altijd het liefst rijst. Mijn oma leerde me koken, hier in Nederland. Daarvoor had ik dat nooit zelf hoeven doen. Maar ik heb er nu geen zin meer in om er zoveel werk van te maken. ’s Middags hou ik nog altijd elke dag mijn middagslaapje, net als in Indonesië, daar gingen we altijd naar bed van 2 tot 4. We deden onze nachtkleding aan en aan het einde van de dag begon het leven weer, met een high tea.”

Vrolijk is ze nog altijd, en een dame. Terwijl ze vertelt lacht ze en leeft even terug in de tijd, in die andere wereld. “Vaak denk ik terug. Dan zit ik weer in ons huis, het is er warm, ik ruik het Indonesische eten, ik zit op schoot bij de meid, ze houdt me liefkozend vast en vertelt me verhaaltjes.”

Alledaags

Datum: 1 maart 2011 / Editie: March 2011 / Auteur(s): Minka Bos

Verloren liefde

Ardie Jilleba verloor haar man Kor, een jaar geleden na een val ergens op straat. Geheel onverwacht. Nooit is ze er achter gekomen hoe hij is gevallen en waar.

De vragen blijven spoken door haar hoofd. “Waar is hij gevallen? Wie heeft het gezien? Ik weet niets..”

Een jaar geleden gebeurde het. Op 16 januari viel Kor. Ergens in de buurt van de Jozef Israelskade, Rijnstraat en Van Woustraat. Ardie wachtte op hem met de boodschappen, bij de Albert Heijn. Zoals altijd. En Kor zou met het karretje komen, dat hadden ze afgesproken. Maar nu kwam hij niet. Waar bleef hij nou?! Kor kwam niet meer. Die avond werd hij opgenomen in het VU ziekenhuis met een schedelbasisfractuur en vijf weken later overleed hij, Kor Jilleba werd 83 jaar.

Hij liet zijn grote liefde achter: Ardie Jilleba (83). Een geliefde die voortleefde met blijvende, prangende vragen: hoe kwam het dat Kor was gevallen? Wat was er gebeurd? Waarom viel hij? Wie heeft het gezien? Wie heeft de ambulance gebeld?

“Elke keer als er een ambulance langs komt met sirene aan, dan denk ik terug aan die dag,” vertelt Ardie in haar appartement aan de Jozef Israelskade. “Hij zat altijd daar,” ze wijst naar een stoel bij het raam. “Vroeger ging het leven vanzelf: iedere dag stond je op, las je de Telegraaf. We ontbeten samen. Ik zei tegen Kor dat het goed voor hem was om elke dag buiten een rondje te lopen. En dat deed hij. Hij hield ervan om met de mensen te praten. Ik maakte brood voor onze lunch: hij hield van pindakaas en chocoladehagel, met veel boter en veel hageltjes erin gedrukt, en ik nam altijd kaas en banaan als beleg. ‘Jij altijd met je kaas, kaas, kaas!’ zei hij dan. ‘Mijn wettige vechtgenoot’ grapte ik terug.

Nu is alles anders. ’s Nachts lig ik vaak urenlang wakker. Als ik dan uiteindelijk opsta, dan denk ik: ‘Nou van mij hoeft het niet meer, ik hoef niet meer wakker te worden.’ Maar ja, dan word ik toch wakker. Ik heb tegen mezelf gezegd dat ik iedere dag even naar buiten moet. Een rondje lopen. Om wat beweging te krijgen. Thuis lees ik de krant en drink ik mijn koffie. Met graankoekjes. Elke dag sta ik wel een keer op mijn balkon en kijk naar de beweging op de kade.

Kor mis ik elke dag. Alles mis ik aan hem. Zijn grapjes, zijn blauwe ogen. Zijn blonde haar. Dat had hij toen ik hem leerde kennen. Ik woonde toen nog bij mijn ouders op de Rijnstraat. Mijn vader had die winkel ‘Rijnstroom’, ken je die? Kor had een motor en ik ook. We reden graag samen. Nu mis ik iedereen, eerst mijn vader en mijn moeder en nu ook mijn man. Kor en ik gingen lachend door het leven. Nu leef ik gewoon. Vanaf het moment dat ik opsta, leef ik. Dat is het. Meer niet.”

Heeft u Kor Jilleba zien vallen op 16 januari 2010? Of weet u meer over zijn val?
Stuurt u dan alstublieft een email naar: minka@minkabos.com

Een mooi cijfer voor De Pijp Krant

Datum: 1 september 2010 / Editie: September 2010 / Auteur(s): Maarten Wesselink Minka Bos

Er staat een stevig windje en de stapel kranten in de kraam neemt een loopje met de redacteur van De Pijp Krant die ‘s middags in het kraampje van het Nazomerfestival staat.

Na de kranten opgeraapt te hebben is er rust en ruimte voor gesprekjes met de festivalbezoekers. “Leest u onze krant wel eens?” En “Wat vindt u leuk aan onze krant?” Al snel blijkt dat De Pijp Krant goed gelezen wordt. Iedereen wil graag informatie over de eigen buurt en weten wat er zoal te doen en te beleven is.

Maar ook serieuze onderwerpen als huren en wonen ziet de lezer graag in de krant behandeld. Eén van de bezoekers legt uit waarom er behoefte is aan een buurtkrant.

Er is de laatste jaren steeds meer informatie gekomen. Via nieuwe media komt de wereld steeds dichterbij, maar uit eigen straat hoor je weinig of niets. Terwijl dat toch de wereld is waarin je woont. Voor de buurtjournalistiek en De Pijp Krant is er dus nog een wereld te winnen. Maar eerst nog even de enquête uitdelen om te weten wat de bezoeker van het Nazomerfestival van de krant vindt. Veertig bezoekers vullen De Pijp Krant-enquête, die ieder jaar op het Nazomerfestival wordt afgenomen, ter plekke in. Wat vinden ze nou eigenlijk van de krant?

Uitslag enquête
‘Met aandacht gemaakt’ en ‘Ga zo door’ maar ook ‘Graag meer tekst’ waren dit jaar commentaren op de enquêtelijsten van de Pijpkrant. Een 7.8 scoorde uw buurtkrant onder de enquête-invullers, die een waarderingscijfer hadden ingevuld. De cijfers varieerden van een 6 (één keer toegekend) tot een 10 (ook één maal uitgedeeld). Ingevuld door lezers uit heel diverse leeftijdsgroepen, geboren in 1928 tot 1983. Over het algemeen tevreden lezers dus, maar er was ook kritiek.

De belangrijkste kritiek werd geuit over de bezorging, die niet altijd even goed is. En veel lezers zouden graag meer foto’s en plaatjes in de krant zien. Lezers lieten ook leuke tips achter voor de redactie. Ideeën die we graag meenemen, zoals: ‘Graag meer interviews met bijzondere buurtbewoners’.

En ludieke adviezen als: ‘Wij stellen voor een ‘Miss Pijpverkiezing’ te organiseren’.

‘Amazigh-strijders, vergeten bevrijders’

Datum: 1 april 2010 / Editie: April 2010 / Auteur(s): Minka Bos

Strijders, dat zijn ze: de Imazighen, Berbers, Moren of Puniciërs, zoals ze in klassieke tijden ook wel werden genoemd. Ze gingen met Hannibals olifanten de Alpen over, veroverden Spanje in 711 en streden voor het Franse leger tijdens de tweede wereldoorlog.

Tot in Zeeland kwamen ze. In Kapelle is nog altijd een herdenkplaats voor deze Imazigh-strijders. Op 4 mei worden ze herdacht door het ‘Komité Leeuw van Atlas in de Pijp’ (KLAP). In een interview vertellen KLAP-leden van het eerste uur, Youssef el Moussaoui en Mohamed Amanchar, over de Tweede Wereldoorlog in het Atlasgebergte.

“1940-1945? Dat waren voor de Atlas de jaren van de grote droogte,” vertelt de 40-jarige Youssef el Moussaoui in de gebedsruimte van vereniging KLAP, die even dienst mag doen als rustige locatie voor ons gesprek. “Ik was toen nog niet geboren. Maar mijn oma vertelde me hoe mensen bij bosjes stierven van de honger en dorst. Ze leefden van gras en sinaasappelschil. En het was ook de tijd dat mijn oom werd gerecruteerd voor het Franse leger. Hij vocht in Europa tegen het nazisme en stierf ergens onderweg. Niemand weet waar.”

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden duizenden jonge Imazighen opgeroepen maar ook verplicht om te vechten voor het Franse en Spaanse leger. Ze leverden strijd aan de frontlinie als kanonnenvoer. De meesten van hen overleefden de strijd niet.

“Wij, Imazighen, zijn strijders in hart en nieren,” legt Mohamed Amanchar (53), uit. “Mijn grootvader vocht nog ten tijde van de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) tegen Franco. Toen ik tien jaar was verliet ik ons dorp in het Atlasgebergte om in de stad, Tétouan, naar school te kunnen gaan. Daar woonde mijn grootvader. Ik mocht bij hem wonen. En hij vertelde me dagelijks de verhalen en avonturen die hij had meegemaakt in Spanje. Over hoe een kogel uit zijn arm werd gehaald, zonder verdoving. Ze hadden hem moeten vastbinden. Uiteindelijk zijn er zeven kogels in zijn lijf blijven zitten.”

Niet alleen de Spanjaarden vonden baat bij de sterke strijders uit het Atlasgebergte. Ook het geallieerde leger had het misschien niet gered zonder de moedige Imazighen. Toch zijn ze vergeten, zo lijkt het, uit de Tweede Wereldoorlog-historie geschrapt.

“Hoe dat komt?” Youssef Moussaoui kijkt strijdvaardig als hij vertelt: “Dat is politiek spel geweest van de Marokkaanse regering. Ten tijde van onze vorige koning, Hassan II, werd de Amazigh-bevolking onderdrukt. We mochten onze eigen taal niet spreken en in de geschiedenisboekjes werd met geen woord gerept over onze bijdrage tegen het nazisme. Ja, Marokkaanse soldaten hadden er gevochten. Maar dat is niet de hele waarheid: het waren merendeel Amazighsoldaten. Zelf weet ik ook pas sinds een aantal jaar welke rol wij hebben gespeeld voor West-Europa in die tijd. Dankzij de documentaire ‘Marokkaanse strijders, vergeten bevrijders’. Die titel mag dus wat mij betreft gewijzigd worden in ‘Amazigh strijders, vergeten bevrijders’. Wij, de Berbers, hebben het fascisme helpen verdrijven, en daar ben ik heel erg trots op.”

Kiezen in de Pijp

Datum: 1 februari 2010 / Editie: February 2010 / Auteur(s): Minka Bos

111 stembureaus, honderden pijltjes met wijzende handjes, stemhokjes en potloden om het juiste vakje mee aan te vinken en 550 stembureauleden. Het moet allemaal klaar zijn en paraat staan voor de aankomende derde maart: verkiezingen.

Nicole Wolff, teamleider afdeling burgerzaken en projectleider verkiezingen is er al maanden mee bezig. Van het zoeken naar okaties tot het vinden van vrijwilligers die graag dag en nacht doorbrengen in een gymzaal ter behoud van onze democratie.

Tussen de bedrijven door heeft Wolff wel even tijd voor een gesprek. Achter de balie van burgerzaken in de Karel du Jardinstraat, waar normaal gesproken aan de lopende band paspoorten worden verlengd en geboorteaangiften verwerkt, werkt Wolff nu met een vijfkoppig team aan de komende verkiezingen in Oud-Zuid en Zuideramstel. “In september begonnen we, vlak na de zomervakantie. Waarmee? Zoeken naar lokaties. Sommige lokaties lagen al vast. Maar er waren meer nodig.

Dus we moesten ook letterlijk door de buurt rijden op zoek naar plekken waar een stembureau gevestigd zou kunnen worden. Kerken, scholen, buurthuizen. De meeste lokaties werken met veel plezier mee. Daarna begon het volgende traject: zoeken naar stembureauleden. Elk bureau heeft er vijf nodig: een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en drie leden. En ‘s avonds ook nog eens drie extra tellers. Wat die doen? Tellen. De stemmen tellen.”

Gelukkig kan burgerzaken rekenen op een grote achterban aan vrijwilligers en stembureauleden die zich vaak al jaren achtereen enthousiast hebben ingezet op het stembureau. Zoals de stembureauvoorzitter Marion Veerbeek. Een Pijpbewoonster die al een jaar of twaalf op verkiezingsdag is te bewonderen in de gymzaal van de Oscar Carré school. Dan wisselt ze haar werk als jurist af met een lange dag voorzitterschap op het stembureau. Het heeft haar tot nu toe niet tot een beroemdheid in de buurt gemaakt vertelt de voorzitter.

“Nee, ik heb achteraf eigenlijk nooit reacties gekregen. Wel op de dag zelf hoor, mensen die enthousiast naar me toe komen en zeggen: ‘Wat fantastisch dat je dit doet.’ Dat is natuurlijk erg leuk om te horen. We hebben ook wel eens dropjes gekregen, die later werden opgegeten door mensen die direct uit hun werk langskwamen om te stemmen en hun honger met onze aanwinst stilden.

En een appeltaart van het initiatief ‘Wij vertrouwen stemcomputers niet’. Dankzij dat initiatief hebben de stemcomputers in Nederland maar een kort leven gekend. De actiegroep tegen stemcomputers toonde aan dat de computers mogelijk fraudegevoelig waren. Dat betekende: einde stemcomputer. Nu mogen de kiezers weer allemaal een hokje inkleuren en kunnen wij weer tellen. Ik ben daar niet rouwig om hoor. Ik was zelfs wel onder de indruk van die actie, vond het een schoolvoorbeeld voor de democratie: Je voert als burger actie en dan kan je veranderingen teweeg brengen. Zo hoort de democratie wat mij betreft te werken: transparant, een systeem waarin de stem van elke burger telt.”

Sinds 1919 telt bij ons de stem van alle burgers. Vanaf die tijd mochten ook vrouwen stemmen. Daarvoor was de macht een soort onderonsje van de adel en later was er enkel stemrecht voor mannen met een bepaald inkomen en opleiding. Dat we allemaal vanaf ons achttiende gebruik kunnen maken van het stemrecht is dus ook hier relatief nog niet zo lang vanzelfsprekend. Veerbeek is zich bewust van dat recht, ze doet haar voorzitterswerk voor de verkiezingen dan ook deels uit liefde voor die democratie. Deels, want het is ook gewoon heel gezellig.

“Op drie maart zie ik Job, Fanny en Erik weer. Met hen zit ik elke keer op het stembureau. We zien elkaar alleen op de verkiezingsdagen, en dat is ontzettend leuk. De één werkt in de psychiatrische zorg, de ander is tolk/vertaler en de derde werkt op het stadsdeel. We komen uit heel verschillende hoeken van de samenleving. Daarbij is het contact met de kiezers ook vaak leuk. Ze maken regelmatig een praatje met ons. Hoewel het natuurlijk soms ook lastig kan zijn, als mensen boos worden omdat ze hun stempas zijn kwijt geraakt bijvoorbeeld. Wij kunnen ze helaas geen nieuwe geven. Dan kan het dus zijn dat een kiezer voor niets is gekomen.”

Maar tot echte wandaden leidt het nooit op het stembureau. Soms wordt een biljet in de verkeerde bus gegooid, of kleurt iemand per ongeluk het verkeerde vakje rood. Alle protesten en klachten van kiezers die dag worden opgetekend door voorzitter Veerbeek op het ‘proces verbaal’ en aan het einde van de verkiezingsdag, (meestal pas om een uur of elf ‘s avonds), afgeleverd bij Nicole Wolff van burgerzaken. Wolff heeft tegen die tijd er al een hele dag op zitten vanaf half zes ‘s ochtends. En zal dan ook nog de verkiezingsnacht moeten doorhalen:

“We zijn dan bezig met alles te controleren. We moeten alles nakijken en eventueel hertellen bij verkeerde telling. Dat is wel eens gebeurd, waren we om half drie ‘s nachts nog aan het tellen. Dan, rond een uur of vijf ‘s ochtends gaan alle proces verbalen met busjes naar de Stadhouderskade, naar de ‘Dienst Persoonsgegevens en Geo Informatie’. En de volgende dag uitslapen? Nee hoor, dan zijn we om elf uur weer aanwezig voor de zetelverdeling voor de stadsdeelraad.”

Want daar was het uiteindelijk toch allemaal om te doen: die zetels. Daar stemmen we voor, op 3 maart. Komt u ook even langs? Nicole Wolff heeft ervoor gezorgd dat op die derde maart alles voor u klaar staat om aan uw democratisch recht te kunnen voldoen. Van tellers, potloden tot hokjes. En stembureaulid Marion Veerbeek zit klaar met de stembiljetten, een praatje of een dropje.

De Edelsteen: van school naar cultureel centrum

Datum: 1 februari 2010 / Editie: February 2010 / Auteur(s): Minka Bos

Op 27 februari is de feestelijke opening van het nieuwe cultureel centrum ‘De Edelsteen’, op het Smaragdplein. In de jaren ‘30 ooit gebouwd als school. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bezocht buurtbewoonster Henny Wiese de school. Ze vertelt over haar belevenissen in de Edelsteen, die toen nog de Jan Lievensschool heette. “Het was echt een pokkentijd.”

“In de laatste twee oorlogsjaren zat ik op deze school. De Jan Lievensschool heette hij toen. Tenminste, het deel waar ik zat. Aan de andere kant van het gebouw zat de Karel Dujardinschool. Dat waren echt twee verschillende scholen, met in het midden gedeelde handarbeidlokalen en de gymzaal. Op onze school zaten de kinderen met kapsones, wij waren slimmer en beter, vonden we zelf.

Vanaf de Diamantstraat, (het huis naast Gerard van het Reve), liep ik dan naar het Smaragdplein. Langs het badhuis, waar we één keer per week gingen douchen. Naar de rechterschooldeur. Om 9 uur begonnen we tot 12 en dan weer ‘smiddags van 14.00 uur tot 16.00 uur. Ik zat ergens in het midden van de klas naast Henny Tuinstra. Voor mij zat een tweeling: twee meisjes met lang golvend haar tot op hun billen. Je zag de luizen er doorheen lopen.

In de klas had ik veel vrienden en vriendinnen maar de meester had een hekel aan mij. Omdat wij net uit Duitsland waren verhuisd dachten veel mensen dat wij NSB-ers waren. Belachelijk, want wij waren niet eens Duits en hadden niets met de NSB te maken. Maar goed, de leraar was die mening blijkbaar wel toegedaan en liet dat weten ook. Ik moest regelmatig in de hoek staan en kreeg straffen voor dingen die ik niet had gedaan. Na de oorlog is die meester trouwens ontslagen, want toen bleek dat de man zelf een NSB-er was geweest.

De Tweede Wereldoorlog drong ook door in de school. We moesten eens schuilen voor een granaatinslag. Dan zaten we met z’n allen beneden in de gang. Er sloegen toen echt granaten de school in. Dat was erg beangstigend.

En nu is alles anders. Nu wordt de school een cultureel centrum: ‘De Edelsteen’. Een andere naam voor een andere bestemming. Erg leuk. Ik bemoei me er ook wat mee. Momenteel richt ik nisjes in, met zitbankjes en mooie kussens, op iedere verdieping in andere stijl: van Marokkaans, Turks tot Chinees. Dat had ik in de jaren ‘40 nooit kunnen bedenken. Wat is er veel veranderd in al die jaren..”

Meehelpen?
De organisatie zoekt nog enthousiaste buurtbewoners om tijdens de opening op zaterdag 27 februari van 15.00 tot 19.00 uur als vrijwilliger mee te helpen.

Interesse? Mail dan naar: edelsteen@wijkcentrumceintuur.nl