"Ik hoef niet in een hokje"

Jan-Cornelis Toepoel - Foto: Rob Godfried

Jan-Cornelis Toepoel (‘J-C’), 68 jaar, publiceerde een eeuw na Jacob Israël de Haan een boek in eigen beheer over zijn leven als transgender. Hij zit in zijn raamopening en roept me als ik rondkijkend kom aanfietsen. Het huisnummer bij de deur is nauwelijks te zien, zo klein. J-C: “Het is tijdelijk, tot de verfbeurt voorbij is. Moet je die rotzooi zien bij de containers. Allemaal wasmachines, ijskasten. Ze staan er al weken. Worden niet opgehaald omdat het van die apparaten zijn. Wie doet er nou zoiets?”

J-C heeft zijn hele leven in De Pijp gewoond, maar niet altijd als J-C. “Mijn hele leven is één groot theaterstuk”, vertelt hij. “Ik ben opgenomen geweest in een psychiatrische inrichting. En daar weggelopen. Weer terug gekomen ook hoor. Ik was helemaal de weg kwijt. Dat is nu achter de rug. Sinds 2003 ben ik stabiel, sinds ik J-C heb ontdekt. Het was noodzakelijk om te erkennen dat er iemand anders in mij zat om stabiel te worden. Alsof het zo leuk is om altijd stabiel te zijn. Maar ik ben niet meer bang om alleen te zijn sinds ik mijn identiteit heb gevonden. Dat is wel prettig. Het maakt me nu niet meer uit wat anderen van mij vinden. Of ze me een man of een vrouw vinden, of iets anders, of hoe ze me noemen. Ik hoef ook niet omgebouwd te worden. Ik ben gewoon wie ik ben zoals ik ben. Ik hoef niet in een hokje. Die hele discussie gaat langs mij heen. Het is natuurlijk wel fijn dat er meer openheid is gekomen. Ik heb voor Jan-Cornelis gekozen omdat ik die initialen wel leuk vond. Johan Cruijff, Julius Caesar, Jezus Christus... Nee, al die Mariabeeldjes hier vind ik gewoon mooi. Heb ik niks mee verder.”
“Ik ben hier in 1976 komen wonen toen ik dit huis had gekocht. Het was een moetje. Mijn ouders gingen verhuizen naar Alkmaar. Mijn vader was me zat en wilde van me af. Ik had niks te vertellen, al was ik 25. Hij zei mij in dit huis te gaan wonen of de straat op te gaan. Nu ben ik daar blij om, maar toen niet. Marktkramen die vanaf 6 uur ’s ochtends de straat op rolden.”

“Als ik vroeger over de Stadhouderskade naar huis liep, stopten geregeld auto’s naast me met hoerenlopers. Deed me niks. Ik liep gewoon ’s nachts naar huis, maar nu niet meer. Ik ben bang voor beroving, moord, verkrachting. Veel jongeren met messen tegenwoordig. En hier vlakbij is die Duitse vrouw doodgetrapt door een aantal jongens die bij de Dirk werkten. Ze had een blikje bier gestolen en ging schelden. Die jongens gingen door het lint. Er is om de hoek nog een monumentje in de stoep waar het gebeurde.” (Zes verdachten zijn veroordeeld; de hoofdverdachte tot drie jaar - Redactie.)

“Ik ging altijd naar het badhuis op de Albert Cuyp om te douchen. Hier had ik in het begin nog niet eens warm water. Nog leuker was het later als ‘De Badcuyp’, met jazz, lekker eten en een fijne sfeer. Op een avond was ik er met een buurvrouw op een feestje. Een jongen van een jaar of 19 serveerde. Hij kwam naar me toe en zei: ‘Wilt u verkering? Ik val op oud’. Ik was toen 56. Maar we gingen eigenlijk voor een man voor mijn buurvrouw.”

“Er kwam nogal wat nieuwbouw hier en ik voelde me alleen. Ik zocht naar een manier om meer contacten in de buurt te krijgen. Omdat ik ook ben opgeleid als leerkracht bedacht ik wel wat met kinderen te kunnen doen. Zo heb ik een kinderclub opgericht, gewoon bij mij thuis. Het was de tijd van de eerste Pokémonrage. Daarom startte ik met een Pokémonavond. En er kwámen kinderen, want verder was er niet veel te doen. Dat bouwde ik langzaam uit. Het werd de Kidsclub genoemd en hier werd het een soort buurtkamer, waar ook de ouders graag kwamen. Ik was nog niet stabiel toen, maar de kinderen gingen heel normaal met mij om en ook de ouders accepteerden me zoals ik was. Dat heeft me echt geholpen.”

“Tsja… De Badcuyp is weg, het Quellijncentrum, weg. Dat waren plekken waar ik graag kwam. Nu eet ik elke week een keer in de Lekstraat, bij Puur Zuid. Het is daar gezellig. Buurtgebouw Henrick de Keijser is ook geweldig. Twee keer per maand lekker dansen, iedereen danst met iedereen. En er is op de Albert Cuypstraat sinds kort lesbisch Café Bar Buka met elke maand een ‘Café Zilver’, dat is voor lhbti’ers. Daar voel ik me thuis. Want als je je leven lang moet zoeken naar wie je bent, dan heb je een rottijd hoor.

(18 februari 2020)

"De onbezorgdheid is eraf. Dat is jammer."

Martin Colmans - Foto: Rob Godfried

De dag is nog jong. het leven op de Cuyp komt traag op gang. Er lopen wat mensen over de markt. Winkeliers staan buiten op de eerste klanten te wachten. Maar in Buitengewoon, de zaak van Martin Colmans, lopen buitenlandse klanten al af en aan. Zoon Sharon helpt ze in het Engels hun weg te vinden en wijst ze op de bezorgmogelijkheden.

Als je Buitengewoon binnengaat, kom je langs een 2,5 meter lange antieke motorfiets, kleurige kasten en een fraai spiegelglas barmeubel. Een museum van rariteiten tussen oude inboedels. Martin vraagt om belet, want hij is druk bezig op zijn computer met een belangrijke kwestie. Er is contact met een advocaat. Het gaat over een rechtszaak.

Goed contact
“In maart zijn we hier neergestoken door een geradicaliseerde buurwinkelier. We hadden altijd goed contact. Hij had wel zo zijn buien, maar verder een prima man. Hij ging zes weken op vakantie naar Egypte. Toen hij terugkwam was hij veranderd. Hij droeg andere kleren, schreef ‘Arab for Arabs’ op zijn pui en begon voor onze zaak uit de Koran te reciteren. En wij zijn een Joodse familie.“

“We hebben natuurlijk alle relevante instanties op de hoogte gebracht. Die zeiden: ‘Ja, we houden het in de gaten.’ Maar daar hebben we niets van gemerkt. Tot die man buiten met een mes op ons afkwam en mij en mijn zoon neerstak. Niemand greep in. Gelukkig waren er een paar Marokkaanse jongens die bij ons beiden de aderen hebben afgebonden, anders waren we doodgebloed, we konden zelf niets meer. We danken ons leven aan ze.”

“Nu is er eindelijk de rechtszaak. Het Openbaar Ministerie vindt terrorisme moeilijk te bewijzen en gaat uit van poging tot doodslag.
De verdediging houdt het met een psychiatrisch rapport op ‘ontoerekeningsvatbaar’; een verwarde man. Het wordt TBS of na korte tijd vrij. Ik ben nooit bang geweest, maar mijn gevoel is veranderd. Er zijn zo veel aanslagen. Bang ben ik nog steeds niet, maar ik ben wel veel alerter geworden. De onbezorgdheid is eraf. En dat is jammer.”

Over Messen
”Eén keer ben ik wel echt bang geweest. Alweer een hele tijd geleden. Ik deed toen veel inboedels. Er belde een vrouw om voor een inboedel langs te komen, een oudere vrouw alleen. Die deed niet zomaar open. Dus we spraken af dat ik twee keer zou aanbellen. Dan zou zij uit haar raam kijken. Dus ik bel twee keer. Het duurt even en zij kijkt uit haar raam: ‘Wie is daar?’ ‘Ik ben het, Martin Colmans van Verkoophuis Gerard Dou.’ Komt die vrouw naar beneden en doet de voordeur op een kier: ‘Wie bent u?’ Ik meld me weer. We kunnen naar boven. Daar blijf ik netjes staan voor de deur naar de woning. De vrouw gaat me voor en ik kom in de donkere woning, alleen verlicht door een fietslampje. Achter me sluit de vrouw de deur met meerdere sloten af. We lopen door en dan zie ik een groot slagersmes liggen. ‘Nou, u bent wel voorbereid’, zeg ik nog. ‘Ik ben niet bang hoor’, zegt de vrouw dreigend met het mes. ‘De deur is op slot!’ Die vrouw is 70 en ik ben 35 en als er iets gebeurt, hoe lul ik me daar dan uit? Enfin, weer terug in de auto had ik wel wat sigaretjes nodig om weer kalm te worden.
In die tijd had ik een loods op de Gerard Dou en junks gingen daar wel eens heen om hun shotje te nemen. Daar had ik geen trek in. Ik gooide ze eruit. Een keer bleek er weer iemand in te zitten. Dus ik naar achter om hem weg te jagen. Zit daar een ruige kerel vol tattoos met een naald nog in zijn arm. Ik zeg hem te vertrekken. Haalt ie een groot mes achter zijn rug vandaan. Zeg ik: ‘Blijf maar lekker zitten’.”

Burgemeester
“Op de Gerard Dou had ik twee winkels, tegenover elkaar. Op een dag kreeg ik een invalidenwagentje binnen. Mooi dacht ik, daarmee steek ik vandaag over. Terwijl ik dat doe, komt er een auto aan en ik moet remmen. Maar de rem blokkeert en ik sla over de kop. De bestuurder stapt paniekerig uit om te helpen. Maar ik sta gewoon op en loop weg. Die man zijn ogen vielen bijna uit zijn kop! Ik wil nog wel even zeggen dat er zó veel mensen zijn geweest die ons na die aanslag gesteund hebben. Enorm. Heel veel uit de buurt. Ons huis stond vol met bloemen, er kon geen bloemetje meer bij! En onze burgemeester, Femke Halsema, is ook langsgekomen. Zonder pers. Het was een warme ontmoeting. Er wordt wel gezegd dat ze afstandelijk is. Nou, ik vond haar heel oprecht, ze steunde ons echt, een mentale steun, net als die van vele andere Amsterdammers.”

Uitspraak rechtbank Amsterdam op 2 december 2019
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan tweemaal poging tot doodslag. Een terroristisch of racistisch motief acht de rechtbank niet bewezen, wel dat de dader in psychose verkeerde en geleid werd door wanen. De bewezen geachte feiten kunnen verdachte wegens een ziekelijke stoornis echter niet worden toegerekend. Verdachte dient volgens de rechtbank dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank kiest voor TBS met voorwaarden. Hij is verplicht zich in een forensisch psychiatrisch kliniek te laten opnemen, echter zonder dwangverpleging, zoals door het OM was geëist. Daarnaast moet hij €11.000 schadevergoeding betalen aan de slachtoffers. De familie Colmans is zeer teleurgesteld over de uitspraak en vreest dat dader binnen afzienbare tijd weer vrij is.

(9 december 2019)

Aandacht voor kleinschalige menselijkheid

Hein van Dongen in staat van verwondering - Foto: Rob Godfried

Een hele reeks gitaren en banjo’s. In slagorde opgesteld. En overal waar je kijkt staan boeken. Dozen vol, koffers vol met boeken. Allemaal op een piepkleine etage in de Burgemeester Tellegenbuurt.

Daar woont Hein van Dongen; praktisch filosoof, docent en muzikant. Dat is hij eigenlijk al zijn hele leven lang. Dat begon in zijn geboortestad Den Helder, van waar hij als 20-jarige zo gauw als mogelijk vertrok, om in Amsterdam filosofie te gaan studeren.

Creatieve bouwkunst
Achttien jaar geleden verruilde hij zijn woning in Oost voor een betere plek in De Pijp en om dichter bij zijn vriendin te wonen. In De Pijp heeft Hein geprobeerd bij te dragen aan wat meer menselijkheid. Hij deed ooit mee aan een prijsvraag over de toekomst van de ouderenhuisvesting in de wijk. Het stond hem tegen dat de bejaardenhuizen werden afgebroken. “Dat paste niet in onze tijd, maar er was geen alternatief voorhanden. Mensen moeten dan maar zelfstandig blijven wonen en mochten het allemaal zelf uitzoeken. Zelfredzaamheid is volgens mij een holle frase.” Toen Hein in zijn eigen woning naar buiten keek, kreeg hij een idee. “Dat gaat dan zo. Associaties”.

Door een idee van Hein konden mensen die slecht ter been werden, langer zelfstandig blijven wonen. “Door vanuit de binnentuinen de woningen in de hoeken van een lift te voorzien en de balkons op elkaar aan te laten sluiten, kan je in je woning komen. Met behoud van je eigen voordeur.” Een vriend die bouwkunde studeerde, hielp hem bij het maken van een tekening en de inzending voor de prijsvraag was een feit. “Wij werden één van de drie prijswinnaars en daar hoorde behalve een geldbedrag ook bij dat het uitgevoerd moest worden.”

Een bijzonder toeval maakte dat Heins eigen woonblok werd uitgekozen als experiment. Dat idee sneuvelde uiteindelijk doordat het blok te klein bleek te zijn. Plannen om het idee in de Stadionbuurt
te gaan uitvoeren kwamen ook niet van grond. De verkoop aan particulieren, waar destijds een begin mee werd gemaakt, gooide roet in het eten.

“Dus eigenlijk moet je zoiets neerzetten in een blok waarvan je weet dat er verbouwingsplannen komen. In de loop van de tijd ben ik nog wel een paar keer benaderd om de plannen uit de kluis te halen. Maar het is elke keer weer gestrand door verschillende politieke belangen.”

Geestelijk leven
Van de ‘harde’ bouwkunde naar de ‘zachte’ yoga, Hein is ook geestelijk zo flexibel als wat. Hij draagt zijn filosofische kennis over aan studenten van de opleiding tot yogadocent. “Er zijn in de Pijp veel yogascholen en -winkels, het is redelijk commercieel en het wordt gereduceerd tot gymnastiek. En je kan het niet in je pyjama gaan doen, maar je moet er een duur pakje voor kopen. Maar het feit dat mensen zich bezighouden met hun spiritualiteit en zich even terugtrekken uit de dagelijkse hectiek, dat vind ik positief. Niet achter alles aanhollen wat je begeert. Proberen beheersing over je geestelijke leven te ontwikkelen op een niet geforceerde manier. Dat heeft niets te maken met hoe goed je je benen in je nek kunt leggen.”

78 toeren
Naast yoga verdrijft Hein zijn neurotische neigingen met muziek. ”Dat doe ik elke dag.Er zijn zelfs nummers van mij in diverse films gekomen, zoals in Phileine zegt sorry.” Hij vermeldt het met de voor hem kenmerkende bescheidenheid. Hein is een begenadigd gitarist en gebruikt in zijn band Speed 78 niet zijn echte naam, maar speelt onder het pseudoniem Don van Dongen. Op platenspelers zat altijd een knopje met ‘speed’ en de 78 toeren stand leverde de leukste resultaten op bij al het vinyl. Ook de band klinkt ‘kleinschalig’, zoals u kunt horen op Spotify, waar hun nieuwe album Goom Agar op te horen is.

Verwondering
Een bezield leven? “Ja... Eigenlijk ben ik altijd bezig met zelfreflectie. Niet dat ik steeds over mezelf nadenk, maar ik vraag me steeds af wat er aan de hand is. Wat gebeurt er? Eigenlijk ben ik in een voortdurende staat van verwondering. Ik kan ook niet anders vrees ik, ik ben voor weinig andere dingen geschikt.”

(14 oktober 2019)

Terugblikken op een hoop gelazerstraal

Peter Ladiges zet zijn bril erbij op - Foto: Rob Godfried

In een etalage ergens aan de Govert Flinck staan verschillende houten kastjes, een fietsmodel, een bril met extra dikke glazen en wat gereedschappen. Er hangt een groot groen blad van een plant aan een buis. De deur van het atelier staat open. Binnen treffen we Peter die met een ijzeren bal in een metalen asbak aan het prutsen is. Het duurt even eer hij aandacht aan de binnentreder schenkt.

“Ben je aan het werk?”

“Nee hoor, ik werk niet meer. Ik maak nutteloze dingen. Het is ongelooflijk lollig. Je hebt er geen moer aan. Zoals met een heleboel in het leven. Als een auto in de stad. Kijk! (pakt een elastische draad en haalt die door een rond schijfje met een gat – door de draad op te winden en dan los te laten gaat het schijfje heftig draaien), dit deed ik vroeger al natuurlijk. Kinderen van nu kennen dit niet meer. Als ik dit aan deze constructie bevestig en ik zet het elektromotortje aan, blijft ie draaien. Hm, het werkt nog niet goed, er moet nog aan gesleuteld worden. Alles wat je hier ziet heb ik gemaakt ja. Die bril ook. Ik had een staaroperatie gehad en toen zag ik geen moer meer omdat er een te groot verschil tussen mijn ene oog en mijn andere oog was. Van de opticien kreeg ik geen bril. Dat mocht niet. Nou, toen heb ik er zelf maar een gemaakt.”

We bekijken nog wat die ijzeren bal moet doen in de asbak, spreken over andere ‘nutteloze en dus leuke dingen’ en gaan dan zitten met een koppie thee.

“Ik woon al mijn hele leven in de Pijp. Ik ben er haast niet uit geweest. Geboren op het Henriëtte Ronnerplein. Mooie woningen, maar geen douche. We gingen douchen in het badhuis op de Cuyp, later op het Smaragdplein. Toen mijn ouders verhuisden wilde ik niet mee. Ik bleef daar gewoon wonen, illegaal. Op een bijeenkomst zei de directeur van die woningbouwvereniging: ‘Als er een probleem is…mijn deur staat altijd open.’ Daar ging ik dus naar binnen, maar er werd niks opgelost. Het begin van een
hoop gelazerstraal.

In 1978 kon ik met geleend geld dit pand kopen en er zonder woonvergunning gaan wonen. De halve straat was gekraakt. Het pand was een groot krot. Ben 7 jaar lang gaan verbouwen. Maar de Gemeente zei dat ik eruit moest, want: geen woonvergunning. Er kwamen geregeld boze ambtenaren en deurwaarders met exploten. Het gelazer duurde 8 jaar. Toen kwam er een ambtenaar, die stapte binnen, dronk een kop koffie en loste de boel gewoon op.

Ik zat ook in een actiegroep. Die was uit de Frans Halsbuurt overgewaaid. Was er een bijeenkomst in een zaaltje. Zat daar een stel ambtenaren die verklaarden dat de huizen hier slecht waren. Het idee was
deze hele kant te slopen. Dan kregen we een mooie brede straat. Hoe ze wisten dat het hier zo slecht was? Dat hadden ze onderzocht. Nou, wij hadden ook onderzoek gedaan. Eén van die ambtenaren was
meneer Koevoet, ja echt hoor! Ik zeg: ‘Er is anders drie jaar geleden hier verderop onder uw leiding een nieuw fundament gelegd.’ Ze moesten toen wel toegeven dat hun ‘onderzoek’ niet zo veel waard was. Ik zei nog: ‘Ik stel voor de hele overkant af te breken, dan heb ik lekker uitzicht op het park!

Toen kreeg je het gedoe over woningen samenvoegen. Kwam er op gegeven moment een rechterlijke uitspraak over een splitsingsvergunning in de Korte Leidse dwarsstraat die toch gegeven moest worden. Als splitsen mag, mag samenvoegen ook! Dat ging als lopend vuurtje. Maar de Gemeente wilde niet splitsen en maakte een noodverordening. Die moest, om van kracht te worden, onder andere worden opgehangen in een kastje bij het stadhuis. Maar de sleutel van dat kastje was verdwenen. Heeft een week geduurd er ze een sleutel hadden. Serieus! In die week zijn er nog heel wat vergunningen verleend!

Er was ook een ambtenaar Malchus (echt!). Die schreef allemaal boze brieven naar mij, maar geadresseerd aan ene Beima, die woonde verderop, ik kende hem goed. Gingen we samen naar het stadhuis, daar kon je in die tijd gewoon alle kamers binnen lopen. Sloegen we bij hem met de vuist op tafel. En dat deden heel wat boze bewoners. Die meneer Malchus is vervroegd afgevoerd.

Het was een mooie tijd hoor. Er gebeurde van alles. Er waren van die afgekeurde gasbuizen rechtop in de grond gezet tegen verkeerd parkeren. Loop ik op een mooie zondag door de straat, zie ik een goser in een open Cadillac langs sjezen. Hij stopt, stapt uit, trekt zo’n gasbuis eruit en zet die Cadillac aan de straat. Hij roept naar boven ‘Hé wijffie, kom je naar beneden?!’ Hangt er ook een kerel uit het raam die roept: ‘Hé lul, zet die buis terug!’ ‘Ach ouwe zak, sodemieter op!’ Komt die man van boven naar buiten, pakt die gasbuis en slaat de voorruit van de Cadillac aan diggelen. Komt de politie, neemt die de jongen van de Cadillac mee! Dat soort dingen gebeurden hier hoor. Ach, er was verderop nog een smid en die maakte een herrie buiten. Maar niemand nam daar aanstoot aan, hoorde erbij. Net als de garages en andere bedrijfjes. Het is op weg hier een soort Jordaan te worden. Vind ik wel jammer.

Dat blad? Is een tamme tabaksblad. Groeit hier verderop in de straat. Eerst maar even drogen en dan kijken of ik het kan roken."

(26 augustus 2019)

Sores delen en veel lachen op de Albert Cuyp

Peter en Mary op de Albert Cuyp - Foto: Rob Godfried

Peter en Mary (geen stel) kennen elkaar van de Albert Cuypmarkt, waar ze respectievelijk 35 en 45 jaar hebben gestaan. Peter met kanten stoffen en Lycra, Mary eerst met kinderkleding en later met parfumerie en aanverwante artikelen. Als je hun verhalen mag geloven was het koffiehuis de belangrijkste plek van de Cuyp. Daar deelde je je sores en er werd vooral gespeeld en gelachen. Vooral met en om elkaar, want jennen en plagen was een favoriete bezigheid van menigeen.

Peter: “Dan deden we zo’n spelletje dat je allebei een lepel in je mond had. Wat de clou was weet ik niet meer. Maar om de beurt moest je dan met die lepel in je mond de ander op zijn gebogen kop tikken. Totdat iemand vals speelde en die lepel in zijn hand nam en een ferme klap op je kop gaf. Iedereen lachen, behalve jij… We hadden een voorzitter van de Albert Cuyp vereniging. Die deed altijd héél gewichtig. De directeur van de markt. Hij was ook coach van de marktvoetballers. Intussen werd  iedereen altijd tegen hem opgestookt. Dan vertelde je iets over iemand en maakte hij ruzie om iets wat helemaal niet waar was. Dat wist iedereen dan, behalve meneer de voorzitter. Op een koude ochtend dronken we altijd hete chocolademelk. Zo’n dag begon ik een keer straalbezopen omdat iemand zóó een laag rum in mijn mok gekieperd had. Kon niet meer op mijn poten staan.

Er stonden veel Joodse jongens op de markt. Die hadden een speciale humor.” Mary: “Ja, het is nu lang zo lollig niet meer. Sinds het marktkantoor is opgeheven en het stadsdeel de boel regelt is de humor eruit. Alles is zo duur geworden… Dat ligt echt niet aan die buitenlanders, die zijn allemaal even aardig en behulpzaam. Weet je nog van die bluffer van een bekende opscheppersfamilie? Kwam die het koffiehuis binnen en vroeg of ie mocht bellen. Was nog een vaste telefoon. Ja hoor, best. Hield ie een heel gesprek over een jacht dat ie kocht. En hoe duur dat wel niet was. Vroeg ie toen ie had neergelegd: ‘Wat zal ik betalen?’ Zegt de baas: ‘Niks, want de telefoon was niet aangesloten’. Lachen. Of dat iemand een keer vroeg om haar balletjes gehakt in het koffiehuis op te warmen om mee naar huis te nemen. Was goed natuurlijk. Maar kwam ze thuis zaten er tennisballen in het pannetje, hadden ze in het koffiehuis alles  opgegeten. Je had nog erge winters hoor. Moest je ’s morgens eerst een uur scheppen voor je je stal kon opbouwen. Gingen we daarna nog even in het koffiehuis een bakkie halen, komt er iemand binnen: ‘Tonny, mag ik hier mijn handeltje even neerzetten?’ Nou, best hoor. Er stond een grote kachel met een stenen vloer eromheen. Zet die man een aantal vuilniszakken om die kachel heen. Zitten we een uurtje later met onze voeten in het water. Had ie sneeuw in die zakken gestopt.

En Rinus, die had iets met stront. Als je niet uitkeek stopte hij stront in de la waar je je geld instopte….

Ook lol met klanten hoor. Kwam er zo’n zogenaamde dame uit Zuid om lippenstift bij me te kopen. Probeerde ze de eerste. ‘Neu, dit is mijn kleur niet.’ En een tweede, ‘Neu dit is ‘m ook niet.’ En een derde ook zo. En nog één: ‘Neu, deze is uitgedroogd.’ Zeg ik: mens, je bent zelf uitgedroogd! Zegt haar man: ‘Hoor je het ook eens van een ander!’ Moesten we alle drie hard lachen hoor! En die keer dat Beatrix bij me kocht voor 70 Euro. Ik had geen pinner. En zij had niet genoeg bij zich. Ja, ik geef het niet zomaar weg hoor, al is het de koningin. Was er zo’n hofdame die had nog een vijftigje. Ik wachten op de rest. Had Beatrix nog een twintigje. Nou, oké dan. Vervolgens dachten Japanse toeristen dat ík de koningin was. Moest ik met ze op de foto!”

Peter: “Je had vreemde vogels op de markt hoor. Maar mensen laten zich soms heel makkelijk neppen. Tegenover mij stond iemand die vertelde woningen te huur te hebben. Daarvoor maakte hij dan afspraken met dames die wilden huren. Hij sprak af bij een park en nam ze mee in een auto, waar dan ‘betaald’ moest worden voor zijn dienst. Later kwamen die dames wel eens bij mij hun beklag doen. Alsof ik er wat aan kon doen. Je wist alles wel zo’n beetje als je lang op de markt stond.”

Mary: “Ja, je wist ook precies wie corrupt was en wie niet. Je kon een hoop ritselen. En marktmeesters ‘kochten’ zonder te betalen. Maar je vergiste je wel eens. Ik had keer een dealtje gesloten door te ruilen van plek met mijn zoon, die nog geen vaste plek had en nog moest loten. Word ik bij de marktmeester geroepen. ‘Jij wordt geschorst!’ Wat doen ik dan? ‘Jij hebt geruild met je zoon.’ Nou en, jij bent toch corrupt? ‘Jij bent dus geschorst!’ Vertel ik het aan mijn man, vraagt die wat heb je dan gezegd? Gaat mijn man naar die marktmeester en vraagt: ‘Waarom heb je mijn vrouw geschorst?’ ‘Omdat ze zei dat ik corrupt ben.’ ‘Nee man, ze zei je bent absurd.’ Schorsing ingetrokken!

(24 juni 2019)

Potlood met een rubberen punt

Foto: Rob Godfried

Cartoonist en grafisch ontwerper ‘in ruste’ Frans Mensink is geboren in De Pijp en woont er het grootste deel van zijn leven. Hij beletterde het verbouwde Huis van de Wijk en heeft daar een heel nieuw letteren cijfertype voor ontworpen in de Amsterdamse stijl.

We lopen door het atelier van Frans Mensink op de begane grond, langs een stoel uit een bommenwerper, “gekregen van de piloot die er zeven keer mee heeft gebombardeerd; hij zei: doe er iets moois mee; nou, dat doe ik – het is mijn werkstoel”, en via een trapje naar het woonhuis. We bewonderen en passant diverse verzamelingen en curiosa. Vlinders, enorme insecten en tarantula’s, “de grootste zat in mijn hotelkamer op Cuba”, oude zakhorloges, “van mijn opa en andere overleden familieleden”, zwaarden, “van Ome Hein”. Oude musketten aan de muur, “mijn vader zat bij de artillerie”, een Thunderbird-model, “die is echt gebruikt in de animatiefilm” en natuurlijk een heleboel originele prenten en cartoons van beroemde collega’s. Poes Karel, “het is een vrouwtje, maar hij heet toch Karel”, springt op mijn schoot en de verhalen stromen over mijn theekopje.

Frans Mensink: “Waar nu de Vredeskerk staat, waren vroeger de landerijen en de boerderij van mijn betovergrootvader. Dat was allemaal gemeentegrond en toen die aan de parochie was verkocht, werd de grond onteigend – zonder enige tegenprestatie. Dat kon toen nog. Mijn betovergrootvader is net zo lang blijven zitten tot de kruiwagens met zand door zijn woonkamer gingen. Uiteindelijk kreeg hij een woninkie aangeboden, maar boeren kon hij niet meer. Hem bracht de kerk geen vrede.”

“Deze woning heb ik gekregen via de gemeente, afdeling kunstzaken. Daar zat een ambtenaar die bepaalde welke kunstenaar een atelierwoning kreeg. Een paar vriendinnen van mij waren daar al geweest en die kregen meteen een atelierwoning. En ik had al anderhalf jaar niks. Dus ik met een lange jas van het Waterlooplein, een minirok eronder en op pumps naar die man toe. Ik zeg: ‘En nu ben ik aan de beurt’. ’s Middags had ik deze plek. Ik kende de buurt goed natuurlijk. Misschien hielp dat ook wel.”

“Mijn oma woonde in de Van Hilligaertstraat en wij in de Lutma. Hier zat toen nog de Sociale Verzekeringsbank in van die houten keten. Mijn moeder maakte soep die ik naar oma moest brengen. Met een lege pan liep ik verderop om de hoek langs een hek waarachter allemaal beesten zaten: pauwen, konijnen, van alles. Dat hek had van die spijlen waar ik die pan tegenaan liet kletteren, dat maakte een herrie! Maar ja, thuis gekomen bleek dat de bodem eruit lag en kréég ik toch op mijn flikker. In de Lutmastraat woonde ook Lou de Palingboer. Die leidde een soort sekte en in zijn huis waren wilde feesten waar ik met mijn broers heel nieuwsgierig naar was: hele orgies, dachten we. Waar nu het Okurahotel staat, was toen ‘het zwarte landje’. Daar had Lou een tent staan waar hij lezingen hield en openbaringen deed. Op een dag kwam daar een man binnenlopen die schreeuwde: ‘Ik kan weer lopen!’. ‘Ziet u wel’, zei Lou de Palingboer, ‘de wonderen gebeuren nog steeds’. Zegt die man: ‘Hoe kom je daarbij? Ze hebben mijn fiets gestolen!’”

“Vroeger had ik een enorme stoommachine in de etalage staan. Een aantal jaren geleden ging ik met dat ding naar buiten, richting Okura. Daar waren toen allemaal hotemetoten van de EU. Werd ik door politieagenten tegengehouden: ‘Meneer, kan dat ding niet ontploffen?’ Ik zeg: ‘Jawel hoor!’ ‘Wegwezen!’ Toen ben ik maar weer omgekeerd.”

“Die treintjes die nu in mijn etalage staan, heb ik geruild tegen allerlei natuurkundige instrumenten die ik had. Gekregen van de katholieke Cornelisschool in de Pijnackerstraat. Bekend van het knapenkoor dat eens per jaar de Mattheüs Pas sion zong in het Concertgebouw, onder leiding van Piet van Egmond. Toen die school werd opgeheven, wisten ze niet wat ze met al die spullen uit het natuurkundelokaal aan moesten. Nou, die wilde ik wel hebben. Maagdenburgse halve bollen enzo... Ja, dat potlood, daar zit ook een mooi verhaal achter. De hoofdvertegenwoordiger van Bruynzeel reed rond met zo’n gigantisch potlood op het dak van zijn pickup. Dat hele ding was van aluminium. Op een dag reed hij een medeweggebruiker op de Weesperzijde zó aan, dat die werd gespiest. Morsdood. Sindsdien was dat potlood voorzien van een rubberen voorzijde. Zo’n exemplaar hangt hier nu bij mij.”

“Ik was een blauwe maandag betrokken bij De Pijp Krant. Maar daar was ik al gauw weer weg. Er werd heftig gediscussieerd over die naam: ‘Pijp Krant’. Die zou niet mogen. Nou, daar had ik geen zin in. Wat is nou een mooiere naam? Mensen kunnen zeiken over niks!”

(29 april 2019)

'Amsterdam is niet meer zo leuk'

Foto: Rob Godfried

Beeldend kunstenaar Erika Veld woont al bijna 40 jaar in de Pijp, in een atelierwoning in het Hemonykwartier. Een enorme houten kast met grote handgrepen van touw valt meteen op (“Gemaakt van sloophout uit De Pijp”). Evenzo de vele schetsen, foto’s, briefjes en objecten die overal liggen, hangen en staan. (“Van materiaal dat ik onder andere op IJsland verzamelde”) Haar laatste boek ‘Spreeuwig’ is het geschreven én beeldende verslag van een gepassioneerde observatie van zwermende spreeuwen in het Hemonykwartier.

Gedurende twee lange winterseizoenen in 2015 en 2016 wil Erika zoveel mogelijk van spreeuwen zien en te weten komen. Ze legt alles vast in foto’s, schetsen en tekeningen. En ze maakt video’s om de bewegingen te bestuderen. Om dicht bij de vogels te komen, belt ze aan bij woningen met balkons op hoogte en met zolderramen en dakterrassen die haar zo dichtbij mogelijk brengen. Zo ontmoet ze niet alleen de vogels, maar ook buurtgenoten die ze anders nooit zou kennen. Het is mooi om te lezen hoe de mensen haar toegang verschaffen tot privédomeinen en in het volste vertrouwen haar zelfs de sleutels geven. Alles beter dan zelf al om half zeven de deur open te moeten doen. Wie Erika hartstochtelijk hoort vertellen over haar spreeuwen begrijpt meteen dat iedereen haar dat vertrouwen gaf. Het prachtige boek is de aanleiding om eens met haar te praten over haar buurt.

“Leuk in de Pijp? Niet meer. Amsterdam is niet meer zo leuk. De hoeveelheid toeristen, de jarenlange verbouwingen met bijkomende herrie en troep op straat, de jonge mensen die de verkeersregels niet meer lijken te kennen. Veel veranderingen zijn geen verbeteringen; al die kleine bedrijfjes die verdwenen zijn... Jammer. Vroeger zat hier in de straat een Toyota-garage met ontzettend aardige mensen. Ik kon altijd aankloppen voor een probleem met de auto of om een stuk gereedschap te lenen. En als ik dichtbij stond geparkeerd, liet ik altijd weten dat ik wegreed, dan hadden zij er weer een plekje bij. De garage is verbouwd tot vier appartementen. Geen idee wie er wonen. In de Hemonystraat was ook een zuivelhandel. Toen die ermee ophield is er als afscheid een orgel gehuurd en een boek gemaakt met teksten en foto’s van buurtbewoners. Al die bedrijfjes zorgden voor verbinding en een vanzelfsprekende hulpvaardigheid in de buurt. De saamhorigheid is duidelijk minder geworden.”

“In de Van Woustraat komen steeds meer van die kale afhaalzaakjes, met scooters op de stoep. Dat is toch niks voor een winkelstraat? Alsof de gemeente qua vergunningenbeleid er altijd maar achteraan hobbelt. En waar al tientallen jaren een drogist zat, werd de huur zo absurd verhoogd – dat kàn met bedrijfsruimte! – dat die wel moest vertrekken. Nu zit er een bruiningscentrum waar nooit iemand komt. Ik mis de ijzerhandel op de hoek van de Ceintuurbaan, nu een dure biowinkel. De Handyman – van Pierre, die altijd een oplossing wist voor welk probleem dan ook! – maakte plaats voor een massagesalon met zo’n zwaaiend kattenbeest, terwijl een paar huizen verderop ook al zo’n salon met zwaaibeest zit. Klandizie? Geen bruisende zaken voor een winkelstraat. Maar, we hebben hier vlakbij nu wel een fijne kleine Praxis.”

“Vooral het handhavingsbeleid van de Gemeente was de laatste jaren beneden peil. Dien ik een klacht in over permanente reclameborden op een stoep waar niemand met goed fatsoen langs kan, laat staan met kinderwagen, rolstoel of rollator, krijg ik als antwoord dat er iemand is wezen kijken maar dat je er best omheen kunt lopen, via het fietspad, omdat de stoeprand daar niet zo hoog is! Dan ben ik wel klaar met de Gemeente. Ik heb in al die jaren genoeg actie gevoerd: Geen boom de Pijp uit, losloopgebied voor honden in het Sarphatipark, leescafé, buurtfeesten met de eigen buurtband op het Hemonyplein, schoonmaakacties in de straat, stervensbegeleiding van een buurman, hulp bij een dreigende kindontvoering... Ik heb mijn portie wel even gehad. Liever maak ik een nieuw boek.”

“Ik ben een positief mens, maar zie het somber in voor Amsterdam (en de rest van de wereld). Er wonen gelukkig nog veel fijne en bijzondere mensen in de buurt, van wie de meesten het op prijs stellen dat ik met mijn twee grote etalageramen bijdraag aan een levendige straat. Ik kan het ook dichttimmeren of er lappen katoen voor hangen. Nu vliegen de spreeuwen er rond, natuurlijk. En ‘Spreeuwig’ ligt er uitgestald, een boek dat ik heb opgedragen aan de gastvrije buurtbewoners, zonder wie ik het boek niet eens had kunnen maken!
Ik vond vorige week een kaartje in de bus van een passant: ‘Ik fiets hier altijd langs naar mijn werk, dank u wel voor de mooie etalage!’ Dáár word ik nou blij van."

(25 februari 2019)