Het Henriëtte Hofje

Datum: 15 december 2025 / Editie: December 2025 / Auteur(s): Evelien Mellink

Wie kent ze niet? De schilderachtige hofjes in de binnenstad van Amsterdam, oases van rust. Eeuwenlang was het hofje een vorm van woonzorg, bedoeld voor arme en behoeftige ouderen, met name ongetrouwde vrouwen en weduwen. Nauwelijks bekend is dat er in 1869 nog een hofje is gesticht aan de Buitensingel, nu Stadhouderskade: het Henriëtte Hofje. Het lag ter hoogte van de Eerste van der Helststraat. Wat weten we nog van dit hofje, dat tot op de laatste steen is afgebroken?

Het hofje had een poort aan de Stadhouderskade die toegang gaf tot een voorhof; de woninkjes bevonden zich in een Oud-Hollands gebouw met trapgevel en torentjes. Achter het gebouw was een washok met een bleekveld, waar de was te drogen werd gelegd. Daarachter begonnen de weilanden, die weldra volgebouwd zouden worden.

Het hofje bood gratis woongelegenheid aan tien vrouwen en stond open voor bijna alle religies. Ze hadden een eigen kamer met bedstee, een klerenkast, een ingebouwd fornuis en een stookplaats met turfkist. Ze kookten er hun eigen potje. Ook kregen ze een geldelijke toelage, levensmiddelen en gas voor de gaslampen.

Echte en valse armen
Niet elke arme of hulpbehoevende vrouw werd toegelaten; de allerarmsten gingen naar het armenhuis en alleen ‘ware’ armen werden toegelaten. Ware armen waren vrouwen die door ouderdom, ziekte of gebrek niet meer in hun eigen onderhoud konden voorzien. Vrouwen die door eigen toedoen arm waren, door bijvoorbeeld luiheid of geldverkwisting, waren ‘valse armen’. Er werden eisen gesteld aan leeftijd en inkomen en er mochten geen kinderen meekomen. Ook moesten de bewoonsters van onbesproken gedrag zijn en kunnen samenleven.

Er was een hofjesreglement waarin de rechten en plichten van de bewoonsters beschreven stonden. Ze hadden huishoudelijke taken en moesten elkaar bij ziekte helpen. Een opzichtersechtpaar zag er streng op toe dat de bewoonsters zich aan deze regels hielden en zich ordelijk en netjes gedroegen. Dit echtpaar mocht ook op hun kamers komen en moest gehoorzaamd worden. De vrouwen waren wel vrij om het hofje overdag te verlaten zonder te vertellen waar ze naartoe gingen.

De stichters Jacob en Henriëtte de Vos
Het Henriëtte Hofje is gesticht door zakenman en filantroop Jacob de Vos en genoemd naar zijn vrouw Henriëtte Wurfbain. Zij waren steenrijk en leefden in grote weelde, maar zetten hun vermogen ook in voor goede doelen. Ze deden veel aan liefdadigheid en het ondersteunen van kunst en cultuur. Jacob de Vos was van vele maatschappelijke en culturele organisaties bestuurslid. Hij was ook aandeelhouder van woningbouwvereniging Salerno, dat bouwde voor de arbeidersklasse. Het bouwblok in de Tweede Jacob van Campenstraat 87-89, pal achter het hofje, is door hen gebouwd.

Jacob kwam uit een artistiek gezin en was kunstverzamelaar. Hij ondersteunde jonge veelbelovende schilders, zoals Cornelis Troost en Nico Pieneman, naar wie straten in De Pijp zijn genoemd. Pieneman heeft het portret van hem geschilderd dat in de bestuurskamer hing. Het portret van Henriëtte was van Cornelis Kruseman.

Einde van het Henriëtte Hofje
Na de Tweede Wereldoorlog raakte het hofje in verval. Er was geen geld voor renovatie; de rente uit het kapitaal waarmee het hofje werd gefinancierd was niet meer toereikend voor alle uitgaven. Er moest verkocht worden. Kopers waren echter alleen geïnteresseerd in de grond, niet in het hofje. In 1956 is het verkocht en een paar maanden later gesloopt. Van de opbrengst konden twee panden aan de Marnixstraat gekocht worden, waar het hofje naartoe verhuisd is. In 1976 is het samengegaan met het Eendracht-Anslohofje aan de Overtoom.

Op die plek aan de tegenwoordige Stadhouderskade verrees een paar jaar later het glazen kantoorpand van uitgeverij De Geïllustreerde Pers, die er tot 1995 heeft gezeten.

Er rest niets meer van het hofje dan de portretten van Jacob en Henriëtte de Vos in het Rijksmuseum en een rococobankje in het Amsterdam Museum. Ook de gevelsteen uit de toegangspoort met de naam van het hofje en de familiewapens is behouden gebleven en gerestaureerd maar daarna spoorloos verdwenen.

Henriëtte Hofje vlak voor de sloop in 1956 - Foto: Amsterdams Stadsarchief

Speeltuinvereniging Henrick de Keijser, een initiatief van Pijpbewoners

Datum: 1 september 2025 / Editie: Augustus 2025 / Auteur(s): Evelien Mellink

Hun kwajongensstreken varieerden van onschuldig kattenkwaad tot vernielingen en overlastgevend gedrag. Speeltuinvereniging Henrick de Keijser probeerde hier wat aan te doen door middel van sport en spel.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen veel mensen van het platteland naar de stad, op zoek naar werk. Om al deze arbeiders te huisvesten werden nieuwe volkswijken gebouwd, zoals De Pijp. Daar leefde men in grote gezinnen in kleine woninkjes dicht op elkaar. De jeugd hing de hele dag op straat, op zoek naar vermaak dat er niet was.

Gelukkig waren er mensen die zich om hen bekommerden; zij stelden dat hun gedrag uit ‘ledigheid en verveling’ voortkwam. Wilde men dit bestrijden, dan moest men ze niet hardhandig straffen maar bezigheden aanbieden, zoals knutselen, muziek of sport.

District V
In De Pijp begon een groepje sociaal bewogen buurtbewoners met het organiseren van activiteiten voor kinderen. Dit werd zo’n succes dat er vaker activiteiten werden georganiseerd. Omdat het aantal kinderen dat meedeed voortdurend toenam en het aantal activiteiten groeide, werd op 13 november 1913 de ‘Vereniging tot verkrijging van een kinderspeeltuin in District V’ opgericht, genoemd naar het (kies)district waar De Pijp in lag. Het kreeg een verenigingsblad met de veelzeggende naam ‘Het Kinderbelang’.

Kinderen konden lid worden van deze vereniging waar ze aan verschillende activiteiten mee konden doen, zoals gym, zang, figuurzagen, brei- en handwerken. Ook waren er wandelingen, lezingen en vertelavonden. Er kwamen snel clubs bij, zoals toneel, operette en mandoline. De vereniging streefde echter niet alleen naar hun geestelijke en culturele ontwikkeling maar ook naar hun lichamelijk ontwikkeling, naar een ‘kinderspeeltuin’.

De speeltuin was al in het Tweede Plan Zuid van Berlage op het Henrick de Keijserplein ingepland. In 1916 is het er gekomen en op 13 mei feestelijk geopend door Burgemeester Tellegen en wethouder Vliegen (van het Vliegenbos). De speelplaats heette toen nog ‘Speeltuinvereniging District V’. Pas in 1956 is de naam in Henrick de Keijser veranderd.

Er kwamen schommels, een wip, een zandbak en wat later ook een muziektent waarin uitvoeringen werden gegeven door de diverse clubs. In 1920 kreeg de speeltuin een clubhuis, een houten gebouwtje in de stijl van de Amsterdamse School. Daarvoor hadden ze het steeds moeten doen met ruimtes in de buurt.

Opgestookte speeltoestellen
Na de oorlog was er niets meer van de speeltuin over, de houten speeltoestellen en het clubgebouw waren opgestookt in de hongerwinter. Alles is toen opnieuw opgebouwd. Het clubhuis werd in de oude stijl herbouwd en er kwamen nieuwe speeltoestellen van staal. Langs het hek kwamen onder andere een klimrek, een hele hoge glijbaan en een kleuterdraaimolen. De stenen onderrand van de muziektent werd een zandbak. De rest van het plein was voor sport en spel.

Er was opnieuw een veelheid aan clubs en activiteiten, zoals een ‘bootjesclub’ waar modelzeilbootjes werden gebouwd, een zwemclub, een vliegtuigclub. Je kon pitriet vlechten, timmeren, er waren tuinfeesten, kampeerweken, teveel om op te noemen. Er zijn zelfs wielerrondes in de buurt gehouden.

Van 1939 tot 1974 was de toezichthouder Jan Hogeman, ‘Ome Jan’ die heel veel voor de speeltuinvereniging en de kinderen heeft betekend. Zo heeft hij in de strenge winter van 1963 een ijsbaan op het plein aangelegd.

Speeltuinvereniging Henrick de Keijser bestaat niet meer, maar de speeltuin is er nog altijd. Het voormalig clubhuis is nu een gezellig buurthuis waar nog steeds verschillende activiteiten georganiseerd worden.

Foto: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam - Uitgever W.Keijser

Diamantbuurt en glas, hoe zit dat?

Datum: 5 juni 2023 / Editie: Juni 2023 / Auteur(s): Evelien Mellink

Gekleurd glas en diamanten: wat heeft glas met de Diamantbuurt te maken? Op de grens van de Diamantbuurt staat vanaf 1907 het gebouw van diamantslijperij Asscher. Daar werd uiteraard geen glas geslepen. De straten in de buurt kregen namen van diamanten. Zo kwam de buurt aan zijn naam. Toch heeft de Diamantbuurt ook een geschiedenis van glas.

Glashut
Aan de Amstel bij de huidige Tolstraat, in wat toen nog de gemeente Nieuwer-Amstel was, stond in de 19e eeuw een glasblazerij of glashut, zoals glasblazerijen ook wel genoemd werden. Zo’n glashut leek wel op een hut: een vierkant of rond gebouw met een hoog, trechtervormig dak met in het midden een schoorsteen. Een bezoeker beschreef deze glashut als ‘een hoog, zwart gevaarte op een erf achter een ouderwets ijzeren hek’. Het was de glasblazerij Vos, Hanrath & Wiegel. Abraham Wiegel, van huis uit glasblazer, was directeur, Hermanus Vos en Johan Otto Hanrath waren mede-eigenaar en directielid.

Abraham Wiegel was vanuit glasstad Leerdam naar Nieuwer-Amstel gekomen. In 1836 begon hij een glasblazerij op het terrein van de voormalige buitenplaats Over-Amstel, die in 1835 gesloopt was. Het oude tuinhek van Over-Amstel werd de toegangspoort van de glasblazerij en is tegenwoordig nog te bewonderen in de tuin van het Rijksmuseum, te herkennen aan de vergulde letters ‘Over-Amstel’ bovenaan het hek.

Wiegel kwam uit een eeuwenoude glasblazersfamilie met een oorsprong in Duitsland. Verreweg de meeste glasblazers waren afkomstig uit Duitsland, waar ze hun glashutten altijd in bosgebieden hadden gebouwd. Het hout was nodig om de ovens mee te stoken waarin het glas gesmolten werd. Na een paar jaar trokken ze weer verder om een volgend stuk bos voor hun ovens te kappen. Sommige achternamen van deze glasblazersfamilies herinneren nog aan dit rondtrekkend bestaan, zoals de naam Pelgrim – waar de familie Wiegel verwant mee was.

Flessenglasblazerij
De glasblazerij aan de Amstel was een ‘flessenglasblazerij’ waar blanke, rode, groene en blauwe flessen werden gemaakt voor ‘wijn, bier, olie, geestrijke vochten, chemicaliën, chocolade, snuif en verduurzaamde levensmiddelen’. Rond 1850 bedroeg de productie zo’n 800.000 à 900.000 flessen per jaar.

Het terrein van de glasblazerij had een wat vreemde langwerpige vorm die nog vaag in het stratenplan herkenbaar is en lag grofweg tussen de Amstel, Tolstraat, Robijnstraat en Saffierstraat. Er stonden twee ovens die dag en nacht brandden, zeven dagen per week. Hier werd gestookt op kolen. Mede-eigenaar Hanrath was ook een koopman in brandstoffen. Op een temperatuur van 1100°C werd het glas in verschillende flessenvormen gedraaid en geblazen. De eerder geciteerde bezoeker beschreef de gehele binnenruimte als ‘één grote vuurzee van helle witte vlammen’ en het terrein eromheen als ‘zwart, dof en treurig’, met ‘grote hopen steenkool, sintels, glasscherven en zand’.

Er werkten niet alleen glasblazers, maar ook stokers, die de ovens brandend hielden, arbeiders die de grondstoffen voor het glas mengden, pottenbakkers die potten bakten om het glas in te smelten, arbeiders die zorgden voor de afkoeling van het glas en voor de opslag.

Zij woonden aan paden in de buurt zoals het Verwerpad (nu Tolstraat) en op het terrein zelf waar een straat met huisjes voor ze was gebouwd: de Wiegelstraat, genoemd naar hun baas. Deze straat liep waar nu ongeveer de Saffier- en Lutmastraat zijn. Die huisjes bestaan niet meer.

De Diamanthuisjes…van Heineken
De glasblazerij heeft tot en met 1887 bestaan; het terrein is toen opgekocht door de N.V. Woning-Maatschappij, waarvan Gerard Adriaan Heineken, directeur van de brouwerij, ook directeur was. Deze bouwmaatschappij, opgericht in 1873, zette zich in voor betere en gezondere huisvesting voor de arbeider. In 1891 bouwden ze op het terrein van de glasblazerij eengezins arbeiderswoninkjes met tuintjes in wat nu de Diamantstraat, Lutmastraat en Robijnstraat zijn. In die tijd bestond de diamantslijperij van Asscher nog niet en hadden deze straten nog andere namen en konden deze arbeiderswoninkjes dus ook onmogelijk ‘diamanthuisjes’ worden genoemd. Met de diamantslijperij van Asscher hebben ze dus niets van doen, maar met de Heinekenbrouwerij des te meer!

BLIK OP EEN BUURT

Datum: 17 april 2023 / Editie: April 2023 / Auteur(s): Evelien Mellink

Geen schilder maar een burgemeester
Wie De Pijp niet goed kent, zou niet direct vermoeden dat de Tellegenbuurt in De Pijp ligt. De meeste straten zijn daar immers naar schilders vernoemd en Tellegen was een Amsterdamse burgemeester, die nog maar net dood was toen een straat in deze buurt naar hem vernoemd werd. In de Tellegenbuurt zijn meer straatnamen van sociaal bewogen politici van rond de vorige eeuwwisseling, zoals de Pieter Lodewijk Takstraat en de Talmastraat. Burgemeester Tellegen en P.L. Tak hebben veel betekend voor de totstandkoming van deze wereldberoemde arbeidersbuurt in Amsterdamse Schoolstijl, die deel uitmaakte van Plan Zuid van Berlage. Zij vonden dat arbeiders ook recht hadden op goede en betaalbare huisvesting. En op schoonheid.

De Tellegenbuurt is in de jaren ’10 en ‘20 van de 20e eeuw gebouwd en ligt in de Zuid-Pijp, tussen de Van Woustraat en de Tweede Van der Helststraat. Hij bestaat niet alleen uit het ‘Pijpse’ deel van Plan Zuid, maar ook nog uit de Tolstraat en de Karel du Jardinstraat die de noordelijke begrenzing vormen.

Daar tussenin ligt het Henrick de Keijserplein met de speeltuin, die al in het ontwerp van Berlage was ingepland. Er staat een houten buurtgebouwtje, dat tegenwoordig dienstdoet als ontmoetingsplek en waar ook ruimte gehuurd kan worden.

Iets verderop, in de Lutmastraat, zijn de voedselbank en het repaircafé. Nog iets verder het Wijkcentrum, het Huis van de Wijk en de sporthal.

Vrije markt
Inmiddels is deze buurt al lang geen arbeidersbuurt meer. Het werd een aantrekkelijke wijk voor studenten en wat hoger opgeleide mensen met een iets ruimere beurs. Tot 2013 waren de meeste woningen hier echter nog steeds sociale huurwoningen maar sinds dat jaar is een deel van de sociale woningvoorraad van de woningcorporaties in de verkoop gegaan en overgeleverd aan de vrije markt van vraag en aanbod. De rest van het verhaal is bekend: de huizenprijzen hier zijn explosief gestegen. Ook zijn veel voormalige sociale huurwoningen door beleggers opgekocht en voor veel hogere huren opnieuw verhuurd.

Het borstbeeld van de bevlogen sociaaldemocraat Wibaut, gemetseld in een gevel op het Henriette Ronnerplein, is uit een voorbije tijd. Eenzaam ziet hij uit over de arbeiderspaleisjes, ooit van woningcorporatie De Dageraad, opgericht door P.L. Tak. Zijn opvolgers hebben hun ideologische veren afgeschud en zijn meegegaan in de liberalisatie en marktwerking van de sociale huurwoningen. Het monument voor burgemeester Tellegen staat op de kruising van de P.L. Takstraat met de Tellegenstraat. Niemand die meer weet wie hij was. Daar schuin tegenover is Museum “De Dageraad”. De hoop op een betere toekomst die de naam De Dageraad een eeuw geleden symboliseerde, is voor de huidige jongeren vervlogen. Als starter kunnen ze hier geen betaalbare woning meer vinden. Het enige wat een woningcorporatie in deze buurt hen te bieden heeft is een huurcontract voor vijf jaar; daarna moeten ze er weer uit.

Gentrificatie
Door deze ontwikkelingen veranderde de sociale samenstelling van deze buurt. Vermogende burgers, expats en yuppen bewonen nu de voormalige arbeiderswoningen. Door gentrificatie, zoals dit proces wordt genoemd, worden de oorspronkelijke bewoners verdrongen.

Om verdere verkoop van sociale huurwoningen tegen te gaan heeft ‘Actiegroep Niet te Koop’ in de Tellegenbuurt recent een aantal “flitsacties” gevoerd. Zij hebben bij verschillende te koop aangeboden huizen in deze buurt gedemonstreerd. Met hun acties zetten zij zich in voor het behoud van goede en betaalbare sociale huurwoningen. Na honderd jaar weer even actueel.

Buurtbudget
Een ander gevolg van deze ontwikkeling is dat de sociale verbondenheid in deze buurt aan het verdwijnen is. Expats integreren weinig met de oorspronkelijke bewoners en starters met een contract voor vijf jaar zijn daarna weer vertrokken.

Een gemeente-initiatief dat bijdraagt aan het ontstaan van nieuwe contacten is het buurtbudget van €100.000. Voor dit bedrag mogen bewoners plannen ter verbetering van hun buurt indienen en daarna ook zelf beslissen welke van die plannen uitgevoerd worden.

Recent was de Tellegenbuurt aan de beurt. Veel van de via een stemmingsproces door buurtbewoners toegekende plannen zijn gericht op groenvoorzieningen, die tegelijkertijd een sociaal doel dienen, zoals het creëren van diverse ontmoetingsplekken: picknicktafels, bankjes, een tafeltennistafel, een hondenveldje. Ook zijn er plannen voor sportlessen aan ouderen en kickbokslessen aan jongeren gekozen.

Op deze manier kan iedereen voor een praatje langskomen en wordt eenzaamheid onder jong en oud tegengegaan, zo is de bedoeling. Opdat de Tellegenbuurt weer een levendige buurt wordt.

Piet Bakker en zijn jeugd in De Pijp

Datum: 17 april 2023 / Editie: April 2023 / Auteur(s): Evelien Mellink

De meeste mensen kennen Ciske de Rat. Minder mensen weten dat Ciske bedacht is door auteur Piet Bakker. En dat Piet Bakker als kind in De Pijp woonde.

Arme luizen en kale neten, met die woorden scholden kinderen in De Pijp elkaar ruim honderd jaar geleden uit: arme kinderen en de meer welgestelde kinderen. Zij zaten niet bij elkaar op school. Tot 1920 was het lager onderwijs verdeeld naar stand, d.w.z. naar hoeveel schoolgeld de ouders konden betalen. Scholen van kinderen van wie de ouders geen schoolgeld konden betalen hadden geen naam maar een nummer. Scholen die wel een naam hadden, zoals de Frans Halsschool, waren voor kinderen uit de betere standen en gaven toegang tot vervolgonderwijs. De kinderen waren zich natuurlijk terdege bewust van deze standsverschillen en dat gaf nogal eens aanleiding tot straatgevechten: de armeluizen tegen de kale neten, waarbij het er niet bepaald zachtzinnig aan toeging.

Piet Bakker en Ciske de RatIn De Pijp hadden aanvankelijk de meeste scholen een nummer, want De Pijp was een arbeiderswijk waar bittere armoede heerste. Op een van deze scholen zat Piet Bakker, de auteur van Ciske de Rat.

In zijn herinneringen1 beschrijft hij zijn armoedige jeugd in De Pijp aan het begin van de 20e eeuw. Zijn school stond in de Van Ostadestraat, nummer 101, maar hij kan zich de naam niet meer herinneren. Dat is niet verwonderlijk, want deze school had geen naam maar een nummer: school 1022. De kinderen op deze school waren kansarm en gingen gelijk na school werken om mee te helpen de kost te verdienen. Hun ouders waren straatarm en hadden nauwelijks geld voor behoorlijke kleding en voeding. Soms was er niet eens geld voor afgedragen tweedehands schoeisel en liepen de kinderen op klompen. Voor de allerarmsten was er schoolvoeding, wat door de kinderen als heel vernederend werd ervaren.

Piet Bakker woonde schuin tegenover zijn school, Van Ostadestraat 154, een halve woning driehoog achter. Met zijn vijven leefden ze in de keuken, waar ook de was in een dampende tobbe stond en het vocht van de muren droop: een ‘krot-keuken’ in zijn woorden. De alkoof, waarin geslapen werd, een ‘onwelriekend spelonk’. Achteraf noemt hij zijn ouderlijk huis een onbewoonbaar en ongezond naargeestig hol, maar als kind heeft hij dat niet als zodanig ervaren.

Vanwege de slechte huisvesting speelde zijn leven en dat van zijn vriendjes zich voornamelijk op straat af, volgens hem de beste oefenschool voor het harde leven dat hen later te wachten stond: ‘een ruwe leerschool, waar niemand ontzien wordt’. In Ciske de Rat heeft hij geput uit zijn eigen ervaringen als straatschoffie, als ‘rioolterrier’ zoals hij zichzelf noemde. Hij was bepaald geen lieverdje en heeft streken uitgehaald, die geen onschuldig kattenkwaad meer waren.

Klassenstrijd in het kleinDe gevechten van de luizen tegen de kale neten noemde hij een eerste vorm van klassenstrijd. De arbeiderskinderen voelden zich geminacht door de meer welgestelde kinderen, die op hun armoedige kleding en school neerkeken. Zelf waren ze jaloers op de kansen die deze kinderen wel kregen terwijl ze niet per se slimmer hoefden te zijn: volgens Piet Bakker bereikte zo’n ‘labbekakkerig knaapje’ met bijles een maatschappelijke positie, die voor hun niet was weggelegd ook al werkten ze nog zo hard. Scholen met een nummer hadden een beperkter onderwijsaanbod dan scholen met een naam en gaven geen toegang tot vervolgonderwijs. Na zes jaar verlieten de arbeiderskinderen het onderwijs om te gaan werken.

Net als bij Ciske de Rat heeft een onderwijzer zich over hem ontfermd. Die zag dat er meer in hem school dan een ongeschoold arbeider en heeft ervoor gezorgd dat hij door kon leren. Daardoor is hij aan het lot van zijn sociale klasse ontkomen en is eerst onderwijzer en daarna journalist geworden.

Piet Bakker heeft niet, zoals Ciske de Rat, zijn moeder vermoord. Hij hield van zijn moeder en heeft zijn jeugdherinneringen aan haar opgedragen.

Een paar jaar na Piet Bakker hebben op deze school ook betalende leerlingen uit ‘de elite’ gezeten. Hoe dat zit komt in een volgend artikel.


1 Piet Bakker: Jeugd in De Pijp.
Vrijmoedige herinneringen.

2 Eerder was dit school 97.
Met dank aan het Stadsarchief.

Geen villa’s maar taartpunten

Datum: 28 oktober 2022 / Editie: Oktober 2022 / Auteur(s): Evelien Mellink

Wie wel eens door de Gerard Doustraat loopt passeert aan één kant een paar zijstraten die daar in een scherpe hoek op uitkomen. Op die hoeken zijn huizen gebouwd in de vorm van een punt, in de volksmond ‘taartpunten’. Dit roept de vraag op naar het verhaal hier achter, want dit was vast niet zo bedoeld. Die taartpunten waren inderdaad nooit zo gepland. Integendeel: oorspronkelijk was hier een chique wijk gepland met luxe woningen. Wie de Gerard Doubuurt kent, weet dat hier niets van terecht is gekomen. Het is het nog steeds actuele verhaal van woningnood en opgejaagde huurprijzen voor kleine, slechte woninkjes in een vrije markt, die gericht was op zoveel mogelijk winst.

Het uitbreidingsplan van Van Niftrik
Toen in de tweede helft van de 19e eeuw het bevolkingsaantal van Amsterdam meer dan verdubbelde wilde men de stad fors uitbreiden. Stadsingenieur Van Niftrik was in 1866 om een uitbreidingsplan gevraagd voor de hele ring tussen de voormalige stadswal en de verderop gelegen gemeentegrens. Bij De Pijp ging het om het gebied tussen de Singelgracht bij de Stadhouderskade en de Ceintuurbaan, het noordelijk deel van De Pijp.

De Pijp moest daarin een wijk worden met luxe appartementen en villa’s aan brede lommerrijke lanen: de Jacob van Campenstraat en Daniël Stalpertstraat. De Quellijnstraat en Saenredamstraat kwamen in dat plan niet voor. Van Niftrik zag in zijn dromen een soort Parijs met brede boulevards voor zich. Hier moest de nieuwe stad komen; een nieuw centrum, met ook het nieuwe centraal station.

In zijn ontwerp zou alle bestaande bebouwing gesloopt moeten worden, waarbij hij er voor het gemak van uitging dat grondeigenaren, bedrijven en bewoners onteigend of uitgekocht zouden worden. Tot die bestaande bebouwing behoorde ook de Zaagmolensloot (nu Albert Cuyp), die van de Boerenwetering naar de Amstel liep, met op beide oevers houtzaagmolens, werven en inhammen voor aanlegplaatsen. Dit was een soort industriepark. Geen aannemer zou hier villa’s willen bouwen zolang de Zaagmolensloot in bedrijf was.

Zoals te verwachten viel, werd het plan afgewezen omdat het veel te duur was en onuitvoerbaar. Men vond het een prachtig plan, maar onrealistisch en te groots van opzet. Een ‘hersenschim’. In afwachting van een nieuw plan mocht het noordelijkste deel van De Pijp tot aan de Zaagmolensloot toch alvast volgens dit plan bebouwd worden.

Revolutiebouw
Omdat de gemeente slechts gedeeltelijk grondeigenaar was, kon ze geen regels stellen aan het bouwen. De bebouwing werd overgelaten aan de vrije markt, waarin men zo min mogelijk kon of wilde ingrijpen. De vrijheid van handelen van het individu woog zwaarder dan het algemeen belang. Zo konden particuliere bouwers en ondernemers ongestoord hun gang gaan en daarbij vooral hun eigen belang najagen: zo veel mogelijk winst maken. Geen luxe woningen maar ‘revolutiebouw’ of ‘speculatiebouw’; zoveel en zo goedkoop mogelijk dicht op elkaar gebouwde kleine woningen van slechte kwaliteit. Op verzoek van de bouwondernemers werden de Quellijnstraat en Saenredamstraat aan het stratenpatroon toegevoegd zodat er nog meer winst kon worden gemaakt.

Zaagmolensloot
Deze vier straten eindigden abrupt bij de molens en werven aan het Noordelijk Zaagmolenpad, nu Gerard Doustraat. Omdat de lanen in het plan Niftrik niet het bestaande slotenpatroon volgden, kwamen ze daar in een scherpe hoek op uit. Dat is anno 2022 nog altijd zichtbaar.

De rest van de noordelijke Pijp tot aan de Ceintuurbaan is bebouwd volgens Plan Kalff, de opvolger van Van Niftrik. Hij wilde snel arbeiderswoningen bouwen en volgde daarbij de loop van de sloten. De sloten werden straten en zo ontstonden de lange smalle straten die van de Boerenwetering naar de Amstel liepen. De Zaagmolensloot liet hij ongemoeid; hij bouwde er gewoon omheen! Geleidelijk aan werden de molens ingesloten door de bebouwing, waardoor ze geen wind meer vingen en onrendabel werden. Zo kon de Zaagmolensloot uiteindelijk gedempt worden, tot wat nu de Albert Cuyp is.

Gerard Doubuurt
Als je op de plattegrond kijkt, zie je dat het wijkje boven de Gerard Doustraat de vorm van een driehoek heeft die duidelijk onderscheidbaar is van de rest van de noordelijke Pijp. Bij de Gerard Doustraat zie je de overgang naar het voormalige slotenpatroon, waardoor de zijstraten in een scherpe hoek op deze straat uitkomen en dus hoekhuizen met een punt hebben.


Historisch buurtschap Meerhuizen en ongelijke stoepen

Datum: 22 augustus 2022 / Editie: Augustus 2022 / Auteur(s): Evelien Mellink

Wie wel eens in de smalle straatjes net ten zuiden van de Ceintuurbaan ter hoogte van de Amstel is geweest, heeft zich daar misschien geërgerd aan de wisselende stoephoogten. Met kinderwagens, rollators en rolstoelen is het al moeilijk genoeg een doorgang te vinden door alle fietsen en andere ongeregeldheden, en dan is het ook nog oppassen voor die ongelijke stoephoogten. Toch is dit geen achterstallig onderhoud, het is historisch zo gegroeid.

Dit stukje Pijp was vroeger het buurtschap ‘Meerhuizen’ en bevond zich grofweg tussen de Ceintuurbaan en Lutmastraat. Het liep van de Amstel tot iets voorbij de Van Woustraat, net over de grens van Amsterdam, in de gemeente Nieuwer-Amstel (nu Amstelveen).

Meerhuizen
Omdat in Meerhuizen minder belasting werd geheven en toch vlakbij Amsterdam lag, was het een aantrekkelijke plek voor ambachtslieden. Hun woninkjes en werkplaatsen lagen aan de paden langs de ontginningssloten, die van de Amstel naar de Boerenwetering liepen. De oude namen van deze paden herinneren nog aan de beroepen die er werden uitgeoefend, zoals het Hoedenmakerspad (Van Ostadestraat), Ververspad (Tolstraat), Kuiperspad (Kuipersstraat).

Halverwege de 19e eeuw was dit gebied het dichtstbevolkte deel van NieuwerAmstel. Er was een complete ‘polderwijk’, ontstaan waar veel nijverheid en industrie was. De grond was goedkoop en er was ruimte en een gunstig belastingklimaat. Maar het lag ook tegen de grens met Amsterdam, waar geen ruimte meer was…

Annexatie
Na twee eeuwen van economische neergang en verval beleefde Amsterdam halverwege de 19e eeuw een economische opleving en verdubbelde het aantal inwoners. De stad zat opgesloten in 17e-eeuwse grenzen en had dus dringend grond nodig, zowel voor woningen als bedrijven.

Midden jaren ‘70 van de 19e eeuw startten de onderhandelingen met NieuwerAmstel over het annexeren van het noordelijk deel van hun gemeente, dat aan Amsterdam grensde. Veel bewoners van het buurtschap Meerhuizen, die de stad waren ontvlucht vanwege de hoge belastingen, zagen de bui al hangen en verzetten zich hevig.

Nieuwer-Amstel saboteerde de annexatie waar mogelijk met de uitvoering van een aantal openbare gebouwen vlak bij de gemeentegrens. Zo verrees een nieuw raadhuis aan de Amsteldijk hoek Tolstraat (nu het Pestana hotel) in de hoop de annexatie zo tegen te houden.

Polderpeil
Maar in 1896 wordt Nieuwer-Amstel uiteindelijk toch geannexeerd. Daarbij is Amsterdam wel gebonden aan bestemmingsplannen en afspraken die Nieuwer-Amstel voorafgaand aan de annexatie nog met grondeigenaren had gemaakt, zoals vergunningen voor de bouw van woningen, bedrijfsgebouwen en de bijbehorende infrastructuur. Nieuwer-Amstel zelf bezat weinig grond en grondeigenaren hadden dus het laatste woord. Daar had Amsterdam rekening mee te houden. Daarbij speelde ook nog een huizenhoog probleem: NieuwerAmstel lag op polderpeil, Amsterdam op het hogere stadspeil, omdat de stad was opgehoogd om vocht en verzakking van huizen tegen te gaan.

De Van Wou als een dijk
Ophoging van Meerhuizen ging echter moeilijk vanwege de bestaande bebouwing en infrastructuur. Omdat uitkoopregelingen en onteigeningsprocedures te duur waren, besloot het stadsbestuur de bestaande bebouwing en het aanwezige stratenpatroon in het uitbreidingsplan op te nemen. Het plan was om die huizen geleidelijk aan te vervangen en de straten dan op te hogen.

En zo gebeurde het ook. Waar mogelijk hoogde Amsterdam stukken bouwgrond op. Nieuwe huizen op stadspeil stonden naast oude woninkjes in straten op polderpeil. Er waren trappen nodig om naar de voordeur te komen. De Van Woustraat was al aangelegd en liep als een dijk door de wijk. De bestaande zijstraatjes gingen steil naar beneden. Geleidelijk aan kwamen er steeds meer nieuwe huizen en werden de straten opgehoogd. De overgebleven woninkjes op polderpeil kwamen zo lager dan de straat te liggen. Soms werd er een hek gezet, om niet te vallen, want het verschil tussen stadspeil en polderpeil kon wel enkele tientallen centimeters bedragen.

Polderhuisje
En hoe is het nu?
Hier en daar schemert het verleden nog door, zoals bij een aantal lager gelegen huisjes en de ongelijke stoephoogten in de straten tussen de Van Woustraat en de Amstel, zoals de Van Ostadestraat, Kuipersstraat en Rustenburgerstraat. In de Rustenburgerstraat is ook nog enigszins zichtbaar dat de straat bij de Van Woustraat richting Amstel afloopt. En ook het enige overgebleven oude polderhuisje herinnert aan het oude Meerhuizen. Het huisje staat er nog, met de voordeur lager dan de stoep.

Badhuizen in De Pijp

Datum: 20 juni 2022 / Editie: Juni 2022 / Auteur(s): Evelien Mellink

Nog niet zo lang geleden gold de douche als een luxe. Tot nog begin jaren ‘80 hadden veel mensen in 19e-eeuwse stadswijken zelfs helemaal geen douche en wasten zij zich aan de kraan. Men ging nog naar het badhuis. In De Pijp stonden twee gemeentelijke badhuizen en een particulier badhuis.

Een stukje geschiedenis
Tot ver in de 19e eeuw had men geen water uit de kraan en werd er in Amsterdam schoon water vanuit de Vecht aangevoerd, dat in waterbakken werd opgeslagen en aangevuld met regenwater; dit was geen gezuiverd water. Door gebrek aan schoon water en slechte hygiënische omstandigheden heersten er veel besmettelijke ziekten en epidemieën. Die troffen vooral mensen in arme, overbevolkte volksbuurten.

De schrijver Jacob van Lennep en de heer Vaillant trokken zich het lot van de stadsbewoners aan en richtten in 1851 de Amsterdamse Duinwatermaatschappij op. Zij zorgden voor de aanleg van een waterleiding vanuit de duinen naar Amsterdam tot aan de Haarlemmerpoort. Dit was de allereerste waterleiding in Nederland, een gietijzeren waterleiding, die tot 2017 bestaan heeft.

Het Amstel-Badhuis
Doordat er een waterleiding was, konden er ook badhuizen worden gebouwd. Luxe badhuizen voor de elite. Een van deze badhuizen was het AmstelBadhuis, op de Amsteldijk, hoek 2e Jan van der Heijdenstraat, gebouwd in 1882/1883. Hier kon men niet alleen douchen of in bad, maar ook dineren. De dames konden er naar de kapper en er was zelfs een parfumerie.

Het had aparte ingangen en baden voor dames en heren. De derde verdieping was zowel voor de dames als de heren, zodat ze daar samen konden komen.

Het was een chique badhuis met ruime badkamers en rustkamers voor na het baden met tropische planten en palmen. Op de balkons langs de ronde gevel had men een mooi uitzicht op de Amstel. Het gebouw staat op de monumentenlijst.

In 1896 ging de Amsterdamse Duinwatermaatschappij over op de Gemeente Amsterdam als het Gemeente Waterleidingbedrijf (nu Waternet). Hierdoor versnelde de aansluiting van de woningen op de waterleiding zodat iedereen toegang tot de waterleiding kreeg. Begin 20e eeuw was vrijwel elke woning in Amsterdam aangesloten.

Dit betekende echter niet dat men gelijk over warm water, laat staan een douche of bad beschikte. Men waste zich aan de kraan. Men ging hooguit één keer per week, op zaterdag, in bad: in een zinken teil, waarin men zich om de beurt in hetzelfde water waste.

Gemeentelijke badhuizen in De Pijp
In 1920 kwam wethouder De Miranda met het ‘Badhuizenplan’ waarin bepaald werd dat elke volksbuurt tenminste één badhuis moest hebben.

In De Pijp werden twee gemeentelijke badhuizen gebouwd: in de Diamantstraat (1926) en de Sweelinckstraat (1931).

In de Diamantstraat waren in totaal tien baden voor mannen en tien voor vrouwen, waarvan acht ‘stortbaden’ (douches) en twee ‘kuipbaden’. Het is een rond gebouw, waarbij de buitenste ring uit de badruimten bestond. Midden op het dak staat de schoorsteen die uit de kelder kwam waar de ketel stond.

Men mocht tien minuten douchen of baden. Een badmeester zag daar streng op toe en was onverbiddelijk. Zaterdags wilde iedereen zich douchen dus was het heel druk. Er waren wachtkamers, zodat het badhuis ook een ontmoetingsplek werd. Men vond het er zelfs zo gezellig dat, toen veel huizen een eigen douche- of badruimte kregen, sommigen toch naar het badhuis bleven komen en de doucheruimte thuis als kolenhok gebruikten.

Iedereen een eigen douche
In de jaren ‘70 zijn veel huizen in De Pijp gerenoveerd en er is nieuwbouw gekomen. Hierdoor kreeg vrijwel iedereen een douche of bad en werd het bezoek aan het badhuis minder. In de jaren ‘80 zijn ze definitief gesloten. Het badhuis aan de Sweelinckstraat heeft nadien meerdere bestemmingen gehad, maar de meesten van ons kennen het gebouw als De BadCuyp. Het badhuis in de Diamantstraat is eind jaren ‘80 als een van de laatste gesloten. Het is nu ook een rijksmonument. Kunstenaars hebben er atelierruimtes. In de ramen zijn aan de buitenkant tijdelijk portretten van in de buurt actieve bewoners geplaatst.


Tussen de twee emmertjes water halen en het huidige watergebruik is een groot verschil. In ons land verbruikt men ruim 42 liter water per persoon per dag alleen al om te douchen. Veel mensen staan dagelijks lange tijd onder de warme douche en niets herinnert er nog aan dat we ons nog geen eeuw geleden in de keuken onder de koude kraan wasten. Misschien zijn we nu enigszins doorgeschoten.