‘Heen en weer’ in Pijp en Rivierenbuurt

Datum: 1 juli 2017 / Editie: July 2017 / Auteur(s): Peter Schuite

Het idee is even simpel als briljant: een kleine taxi voor kleine ritjes. Dat is precies wat ‘Heen en Weer‘ is. Mensen die slecht ter been zijn worden over kleine afstanden (binnen De Pijp en de Rivierenbuurt) gehaald en gebracht waar ze maar willen.

Veel ouderen en andere immobiele mensen willen nog heel veel ondernemen – de twee wijken bieden ook genoeg vertier! – maar als je er niet komen kunt houdt het voor velen op.

Dan bel je dus Heen en Weer. Als het openbaar vervoer ontoereikend is, de taxi veel te duur en het Aanvullend Vervoer te omslachtig. Een ritje kost bij Heen en Weer één euro. En, de kleine elektrische wagentjes komen echt overal.

Één van de initiatiefnemers is Titia van Grol. “Het is typisch zo‘n probleem waar je als mobiel mens niet snel bij stilstaat”, vertelt ze. “Als je alles in de buurt hebt, winkels, vrienden, familie, clubs, dan ga je daar toch gewoon naartoe? Maar er zijn talloze mensen voor wie ook dat kleine stukje lopen écht te ver is, te veel moeite kost. Het gevaar loert dan om de hoek dat ze helemaal nergens meer heen gaan, nergens meer aan meedoen. Terwijl ze dat wel willen! Dan kun je dus eindeloos veel vertier en activiteiten hebben in De Pijp, maar deze mensen ben je kwijt. Ze zitten thuis. Doodzonde vind ik dat!”

Titia is lid van Stadsdorp De Pijp, een vereniging van meer dan 150 ‘jonge ouderen‘, waar levendig wordt nagedacht over hoe ze hun eigen oude dag in de wijk willen invullen.

“Ik zit daar in de brainstormgroep ‘Zorg & Wonen’”, zegt Titia, “en daar kwam dit idee naar voren. Beetje afgekeken van een project in Oost, maar we doen het hier toch weer heel anders. Basisidee is dat we mensen vervoeren met kleine elektrische autootjes. Je belt, liefst een dag van tevoren, hoe laat je waar wilt zijn, en wanneer je weer terug wilt. Er kan één persoon mee, en een beetje bagage. Boodschappen bijvoorbeeld. Want voor dat soort alledaagse dingen is het project bedoeld. Boodschappen, familiebezoek, naar het zwembad, of een uurtje met een boek op een bankje in het park.”

Heen en Weer heeft nu twee wagentjes, gefinancierd door een anonieme gulle gever en een paar maatschappelijk bewuste ondernemers. Er zijn twaalf vrijwillige chauffeurs. Maar die aantallen mogen omhoog. Titia: “Ideaal zou zijn zes wagentjes te hebben, voor elk van de zes buurten in De Pijp en de Rivierenbuurt. En veel meer chauffeurs natuurlijk. Mensen moeten daarvoor een rijbewijs hebben en een paar uurtjes per week door de wijk willen rijden. Hartstikke leuk!”

Heen en Weer nodig? Bel: 06 – 28 18 13 43
Chauffeur worden? Mail: heenenweer.socialdriver@gmail.com

Goed plannen en geen onnodige uitgaven, dan red je het

Datum: 1 mei 2017 / Editie: May 2017 / Auteur(s): Peter Schuite

Sanne voelt zich niet arm. Dat is wat anderen ervan maken, zegt ze. Maar zelf vindt ze het wel meevallen. Ze heeft het eigenlijk best goed, met haar man Ruud, in een fijne benedenwoning. Na vaste lasten, en een klein spaarbedrag, houden ze zo’n tachtig euro per week over. Voor eten, kleren, leuke dingen – alles eigenlijk.

Ze geeft haar ‘geheim’ meteen prijs: “Ik maak elke maand en elke week een financieel plan. Ik weet precies wat we nodig hebben, welke rekeningen er zijn. Zo zijn er nooit vervelende verrassingen. Aan het eind van de maand is er meestal nog wat geld over, dat is het leuke.”

Leuk of niet leuk, breed heeft ze het niet. “Natuurlijk zou ik wel meer willen hebben. Ik droom soms van een grote prijs. In een loterij. Niet dat ik ooit een lot koop hoor. Dat is zonde van het geld. Je wint toch nooit wat. Maar dromen mag altijd. Als ik opeens rijk zou zijn, ging ik meteen veel ruimer wonen. Hier is het zo vol.” Ze kijkt de huiskamer rond. Het is er gezellig, maar het enorme aquarium zou inderdaad een royalere huiskamer verdienen.

Sanne koopt haar kleding vaak tweedehands, bijvoorbeeld bij Juttersdok. “Ik vind het echt zonde om dure nieuwe kleren te kopen. Het is vaak ook helemaal niet nodig. Bij goede kringloopwinkels hangen heel goede spullen, zo goed als nieuw.” Ze heeft er ook echt lol in, ze rijdt graag door de stad om ergens iets goedkoops op de kop te tikken. Sanne: “bijvoorbeeld naar De Hoop van Morgen, in de Bijlmer, daar kun je voor twee euro een pakket met eten krijgen. Daar ga ik bijna elke twee weken heen. Prima spullen, die bij de Appie of de Dirk veel en veel duurder zijn. En zo zie ik ook nog wat van de stad, ik vind het heerlijk om onderweg ergens op een bankje te gaan zitten. Nee, ik neem geen broodjes mee, en ga ook nooit op een terrasje zitten. Als ik honger krijg, dan ga ik gewoon naar huis. Voor mij geen Hema-worst hoor, dat is echt zonde.

”Als ik honger krijg, ga ik gewoon naar huis. Voor mij geen Hema-worst hoor, dat is echt zonde”

Het is die instelling die Sanne uit de rode cijfers houdt. Goed plannen en geen onnodige uitgaven doen. Vroeger was dat wel anders. Sanne vertelt: “Mijn vorige man gaf alles uit aan dure kleding. We zaten diep in de schulden, we hadden altijd zorgen. Toen we uit elkaar gingen, wist ik dat ik het anders zou gaan doen. Ruud heeft net als ik geen dure smaak, geen hobbies die maar onnodig geld kosten. We leven eenvoudig, met de middelen die we hebben. We hebben het eigenlijk heel goed.”

Zelf houdt Sanne helemaal niet van koken, zegt ze. “Maar Ruud is vroeger kok geweest, die vindt het fijn om te doen. Het is altijd weer anders waarmee ik thuis kom, en daar maakt hij dan wat lekkers van. Soms komt de wagen van Blije Buren langs, dat is ook zoiets. Daar mag je gewoon nemen wat je nodig hebt. Ik schaam me daar niet voor hoor, waarom zou ik? Je moet je niet bezig houden met wat anderen ervan denken. Het belangrijkste is dat je zonder schulden rondkomt, en ook nog wat overhoudt.”

Een auto mist Sanne ook niet echt, al zou het natuurlijk best handig zijn. “Maar als ik er even over nadenk, dat enkele ritje dat we ermee zouden maken, nee. Ik word er niet gelukkiger van als ik ver kan reizen. Nergens voor nodig.”

Op de vraag wat het meest luxueuze is wat ze zich toch veroorlooft, antwoordt ze: “Het tuinhuisje! Ik heb dertig jaar geleden van mijn ouders een huisje overgenomen op een tuincomplex hier niet ver vandaan. We betalen er wel huur voor, maar dat kan net. We hoeven nooit op vakantie, want in de zomermaanden wonen we daar. Heerlijk buiten tussen het groen en de vogels. Er is wel onderhoud nodig natuurlijk, maar als we bijvoorbeeld planken nodig hebben, vinden we die gewoon op straat.”
Gestommel op de gang, haar dochter en kleindochter van drie komen binnen en lopen door naar achteren. “Ik heb het ook aan mijn dochter doorgegeven, dat planmatige, en goed zorgen voor je geld. Zij leeft nu precies zo. Hoe weinig je ook hebt, altijd goed blijven nadenken, en als het kan steeds blijven sparen. Dan blijft er ook wat over om leuke dingen te doen met die kleine.”

Victor: ‘Het gaat om eenzaamheid, minder om armoede’

Datum: 1 maart 2017 / Editie: March 2017 / Auteur(s): Peter Schuite

‘Niemand hoeft echt arm te zijn in Amsterdam’, zegt Victor vol overtuiging. En even later: ‘Armoede heeft niet met geld te maken, maar meer met eenzaamheid.’ Gaandeweg ons gesprek wordt duidelijk wat Victor precies bedoelt: niet dat er geen armoede bestaat, maar dat je met een beetje handigheid een heel eind kunt komen met een krappe beurs.

Hoewel het leven aan de arme rand van Nederland zijn sporen heeft achtergelaten in het gezicht van Victor, twinkelen zijn ogen van levenslust. Hij formuleert zorgvuldig, lacht veel en straalt steeds een enorm optimisme uit. Hij mag dan weinig geld hebben, Victor heeft duidelijk plezier in het leven.
Hij heeft een bijstandsuitkering sinds 1988. Een gevalletje ‘langdurig werkloos’ dus. Wegens gezondheidsklachten heeft hij geen sollicitatieplicht. Dat scheelt een hoop druk en gedoe, geeft hij meteen toe. ‘Na al mijn vaste lasten hou ik 200 euro per maand over om van te leven. Vijftig per week. Dat lukt aardig, ik maak geen schulden, of in elk geval niet omdat ik teveel uitgeef aan te dure spullen.’ Hij lacht zijn vriendelijke, gulle lach: ‘Ik gebruik wel wat middelen. Beetje hasj, beetje coke, niet veel hoor, zeker niet dagelijks, alleen recreatief. Maar ja, dat kost wel wat, dus van sparen komt sowieso weinig.’

Als je Victor zo hoort praten lijkt het een peuleschilletje, dat leven met een smalle beurs. Maar al snel blijkt dat hij bepaald geen stilzitter is die passief afwacht wat er op hem afkomt. ‘Ik doe veel vrijwilligerswerk,’ vertelt hij, ‘vijf dagdelen per week. Ik wil actief zijn, mensen om me heen hebben, contacten leggen. Ik werk bij Zero Waste Lab, een plek waar bewoners hun afval kunnen inzamelen en upcyclen. Sommige dagen ruim ik troep op straat op, andere dagen sta ik in de winkel. Daar brengen mensen bijvoorbeeld hun afval, plastic en papier heen. Daarvoor krijgen ze waardemunten. Daar kunnen ze in de buurt weer dingen voor kopen of korting krijgen, bij deelnemende winkels. Perfect is dat. Het is één van de manieren om verkwisting tegen te gaan.’

Dat blijkt een thema dat Victor aan het hart ligt. Hij is bijvoorbeeld fervent bezoeker van Weet je wel, groente en vlees dat over de uiterste verkoopdatum is maar nog helemaal in orde. Zonde om weg te gooien toch!’

Victor weet in de hele stad plekken waar je gratis of voor bijna niks kunt eten. ‘Makom bij de Oranjekerk in De Pijp bijvoorbeeld. Geweldige plek. Je moet het natuurlijk wel weten te vinden. Daarom zijn contacten zo belangrijk. Je moet eropuit, je moet je onder de mensen begeven.’
En dan stelt hij dus: ‘Niemand hoeft echt arm te zijn in Amsterdam’. Wat hij bedoelt legt hij zo uit: ‘We wonen in een heel fijne, sociale stad. Er zijn geweldig veel goede initiatieven. Van allerlei mensen en clubjes. Sommige draaien met subsidie, sommige op puur vrijwilligerswerk. Maakt me niet uit, die plekken bestaan. Ik weet dat er mensen zijn die de weg niet weten, die de deur niet uitkomen. Daar zit de echte armoede. Ik probeer mensen die ik tegenkom mee te nemen, ze bewust te maken van wat er allemaal mogelijk is voor de krappe portemonnee.’

Victor zal zijn eigen enthousiasme en vindingrijkheid hard nodig hebben, want er wachten hem financieel donkere tijden. Vanwege een oud akkefietje moest hij een maand de cel in, en toen hij terug op vrije voeten was bleek zijn uitkering op wonderbaarlijke wijze verhoogd te zijn. Victor: ‘Dom genoeg heb ik verder niet uitgezocht hoe dat kwam, ik heb er een halfjaartje lekker van geleefd. Bleek dat de ziektekostenpremie niet meer door de uitkeringsinstantie werd ingehouden, maar door mij overgemaakt moest worden. Dat geld moet ik nu dus terugbetalen. 134 euro per maand, plus leges – in elk geval moet ik binnenkort voor een tijdje de schuldhulp in. Ik weet nog niet hoe dat uitpakt, het kan meevallen. Misschien kom ik wel in aanmerking voor de Voedselbank, dat zou in elk geval schelen.’

Victors optimisme is ongebroken. ‘Ik red me wel. Ik ben een ritselaar. Niets crimineels hoor, dat is allemaal lang geleden. Maar ik heb niet veel nodig. Lekker eten, liefst biologisch, dat is belangrijk. Ik heb thuis weinig spullen. Geen computer bijvoorbeeld, die moest ik verkopen. Maar dat is dan weer een voordeel van vrijwilligerswerk, daar staan computers. Het enige waar ik echt verlang en waar ik nu echt geen geld voor heb, is weer eens naar mijn familie in Portugal te gaan. Hier heb ik geen familie meer, daar wel. Dat zou prachtig zijn, een paar weken in het Zuiden. Misschien komt het ervan, je weet niet hoe het loopt!’

In the picture: Darah biedt ouderen ondersteuning

Datum: 1 september 2015 / Editie: September 2015 / Auteur(s): Peter Schuite

“We moeten meer voor elkaar doen, meer over hebben voor de buren.”

Activiteiten van het Huis van de Wijk De Pijp, toegelicht door Darah, vrijwilliger bij Buurtdiensten De Pijp.

‘Eigenlijk moeten we weer terug naar de sociale controle van vroeger’, zegt Darah (die het liefst alleen haar voornaam afgedrukt ziet). Ze is coördinator van Buurtdiensten De Pijp. Drie ochtenden per week zit ze achter de telefoon in het Huis van de Wijk en inventariseert welke hulp oudere bewoners nodig hebben. En welke vrijwilligers daar het best op gezet kunnen worden.

‘Ik bedoel daarmee dat het individualisme echt te ver is doorgeschoten. We moeten meer voor elkaar doen, meer over hebben voor de buren. Buurtdiensten probeert dat idee in de praktijk te brengen. Dat lukt aardig.’ Oudere, alleenstaande Pijpbewoners worden door Darah aangeschreven met de vraag wat ze in hun dagelijkse leven nodig hebben.

“Zonodig komen we bij mensen thuis voor een gesprek over hun wensen. Dan gaat het meestal om alledaagse dingen: boodschappen doen, kleine huishoudelijke klussen, een praatje, een wandeling of begeleiding bij ziekenhuisbezoek.’

Meer echte zorg biedt Buurtdiensten niet, daarvoor zijn andere instanties. ‘Maar onze vrijwilligers kunnen wel problemen waarnemen. Dan is het mogelijk om professionals in te schakelen. Juist omdat we zo dichtbij de mensen staan, kunnen we goed inschatten wat nodig is voor een waardig bestaan.’

In totaal zijn er bij Buurtdiensten De Pijp zo’n zestig vrijwilligers aangesloten. Darah is enthousiast over hun inzet: ‘Ze laten zien dat het eigenlijk heel normaal is om medebewoners bij te staan.’ Wel is er verloop, vertelt ze, en daarom zijn er steeds nieuwe mensen nodig. ‘Niet dat er lange wachtlijsten voor onze diensten zijn, maar we kunnen altijd nieuwe mensen gebruiken die hun handen uit de mouwen willen steken. Wij zoeken dan een goede match, want het moet natuurlijk wel klikken tussen de vrijwilliger en de cliënt.’

Darah krijgt veel goede reacties van buurtbewoners: ‘Dat is altijd fijn, blije berichten. Het is een belangrijke reden om dit werk te doen.’

Hulp nodig of zelf als vrijwilliger aan de slag? Bel Buurtdiensten De Pijp: 020 – 6794441 of kijk op www.combiwel.nl > projecten

Klik hier voor de actuele agenda van het Huis van de Wijk De Pijp

Reuring en ophef op het Henrick de Keijserplein

Datum: 1 september 2014 / Editie: September 2014 / Auteur(s): Peter Schuite

DE BUURTKWESTIE
Een betrekkelijk rustig buurtje, met op de hoek van het plein een eetcafé. Als blijkt dat de eigenaar daarvan wil uitbreiden naar de tegenovergelegen hoek, schrikt de buurt wakker. ‘Dit is geen plek voor méér horeca,’ zegt de bovenbuurvrouw. ‘Het is juist goed voor de buurt,’ vindt de eigenaar. De initiatiefneemster van het Buurt Actie Comité: ‘Als de gemeente de bestemming wijzigt en een horecavergunning uitgeeft, gaat ze recht tegen de belangen van de bewoners in. Dat is toch niet te bevatten?’

We hebben het over het Henrick de Keijserplein in De Nieuwe Pijp. Restaurant Reuring zit op de hoek van de Lutmastraat. Een goedlopende, volgens kenners hoogstaande tent. En dat is nu net de crux, vertelt mede-eigenaar Wouter Aalst: ‘Toen we zeven jaar terug begonnen was het echt een eetcafé, een zaak voor de buurt. Maar we zijn steeds beter geworden en sinds die 9,5 van Johannes van Dam in Het Parool zitten we altijd vol met reserveringen. Mooi natuurlijk, maar de oorspronkelijke inloop zijn we kwijt.’

Tegenover Reuring staat een voormalige groentewinkel al bijna een jaar leeg, dus op die plek wil hij graag huren om een nieuw, laagdrempelig eettentje te beginnen. Chef en co-eigenaar Martin: ‘Met lichte hapjes, tapas, lekkere wijn. Hoge kwaliteit, maar toegankelijk. Zo kunnen we ook de buurt weer bedienen, want reserveren kan daar straks niet, iedereen schuift aan.’

Bovenbuurvrouw en actieleider Marita van Onna ziet het helemaal niet zitten. ‘Ik ben met een advocaat naar de gemeente gestapt. Eerst hadden ze daar veel begrip voor mijn klachten, maar inmiddels lijken ze toch groen licht te willen geven aan de plannen van Reuring. Wouter is een goeie vent, dat is het probleem niet. Maar ik zit straks met een café of eethuis onder me, en als daar eenmaal een horecabestemming voor bestaat, draai je dat nooit meer terug.’ Ze somt op waar ze voor vreest: ‘direct geluid door de houten vloeren, stankoverlast, volle terrassen met lawaaiige mensen, overal lukraak geparkeerde fietsen – het is nu al een probleem bij Reuring, maar dat gaat zich straks verdubbelen.’

Het Stadsdeel heeft aangegeven de horeca in De Pijp meer te willen spreiden. Op dit moment zijn stukken van bijvoorbeeld de Van der Helststraten, de Van Wou en de Ferdinand Bol bijna onleefbaar geworden. Waar veel winkels en horeca uit de tussengelegen woonbuurten zijn verdwenen, moet opnieuw de mogelijkheid komen voor ondernemers om een zaak te beginnen. In de ‘plint’ van het Henrick de Keijserplein mogen twee horecagelegenheden komen. Het Stadsdeel heeft Reuring er zelf op gewezen, zegt Wouter: ‘Veel bewoners willen het ook, een beetje meer leven in de buurt. Zeker als je er leegstand mee oplost.’

Bovenbuurvrouw Carola gelooft er niets van: ‘De meeste mensen zijn hier in een rustige buurt komen wonen. Die willen helemaal geen terrassen en schreeuwend uitgaanspubliek. Het speelplein geeft al lawaai genoeg. Ik ben bang dat het hier een Van der Helst-toestand wordt. Dat mag niet gebeuren!’

Wouter Aalst heeft na lang onderhandelen met eigenaar Eigen Haard een voorlopig huurcontract. ‘Als het plan doorgaat, zorgen we ervoor dat het bouwtechnisch perfect voor elkaar is. Dat er een horecacasco inzit, geluidsisolatie, alles. Bovendien,’ vervolgt hij, ‘gaan we de fietsenoverlast goed aanpakken en zullen we ons wat betreft de terrassen aan alle richtlijnen houden. Ik woon hier zelf ook in de straat, ik weet precies waar de pijnpunten zitten.’

Overigens is het allemaal nog niet zo ver. De gemeentelijke procedure zit nog in de adviesfase. Als het advies “ja” luidt, doet Reuring een horeca-aanvraag. Dan komt er nog een inspraakronde en een definitieve beslissing. Het zal nog maanden duren voor de kogel door de kerk is. Wouter: ‘Tot die tijd willen we gráág met de buren in contact blijven. We zullen ze zeker nog eens uitnodigen in de zaak, zoals we eerder ook al hebben gedaan, om alles met elkaar door te spreken.’

Marita bereidt ondertussen een buurtactie voor, want ook als alles volgens de regels verloopt: ze wil gewoon geen horeca op die plek. Ze had al dertig handtekeningen van omwonenden verzameld die niets in de plannen zien en nu pakt ze het groter aan met een oproep om massaal tegen te stemmen: ‘Gaat het Henrick de Keyserplein een tweede Van der Helstplein worden?’ kopt het actieformulier.

Repair Café De Pijp vindt onderdak bij Voedselbank

Datum: 1 maart 2014 / Editie: March 2014 / Auteur(s): Peter Schuite

De handige mannen en vrouwen van het maandelijkse Repair Café zijn al jarenlang een fenomeen in De Pijp. Ze repareren alles wat stuk is, van kleding tot stofzuigers en van platenspelers tot waterkokers. Wegens een ingrijpende verbouwing van de locatie aan de Tweede Jan van der Heijdenstraat moesten ze uitwijken naar een nieuwe plek. Op 23 februari streken de herstellers neer op de werf van de Voedselbank aan de Lutmastraat 61a. De Pijp Krant ging langs om de stemming te peilen.

Als twee chirurgen in een veldhospitaal staan twee reparateurs over een opengeschroefde papierversnipperaar gebogen.
Ze kijken niet blij. ”Ik geef het op,” zucht de één, “er is niks meer aan te doen.” De eigenaresse, die het apparaat hoopvol naar het Repair Café heeft gezeuld en die even tevoren de mannen nog vrolijk grappend en dansend aanmoedigde, laat nu haar schouders zakken. “De machine is dood,” zegt ze berustend. “Ze hebben gedaan wat ze konden.”

Maar dan steekt de tweede reparateur nog éénmaal een spanningzoeker in een onderdeel dat aan twee draden naar buiten hangt en klinkt er opeens een kermend geluid uit de ingewanden van de versnipperaar. Langzaam komen de tanden van het gevaarte in beweging. “Hij leeft!” roept iemand. Het apparaat braakt een wolk snippers uit en begint steeds harder te draaien. Iedereen juicht.

Het is maar één van de vele wonderen die op de laatste zondag van de maand in het Repair Café plaatsvinden. Hier geeft een oud cassettedeck opeens weer muziek, een tafel verderop raakt een vastgelopen muziekdoosje aan de praat. Het gejubel en innige omhelzingen zijn niet van de lucht. Maar soms moet toch definitief afscheid worden genomen van een geliefde waterkoker of een antieke Singernaaimachine. Gelukkig vatten de klanten het elke keer sportief op: het was het proberen waard. ”Fantastisch initiatief”, zegt een bezoeker terwijl hij de verrichtingen van een elekronica-expert van dichtbij volgt. “Zelf kan ik er niets van, ik zou niet weten waar ik moest beginnen. Maar deze mannen en vrouwen zijn nergens bang voor!”

‘Veel van onze bezoekers hebben het niet breed, en dan is het juist belangrijk om ze keurig te kunnen ontvangen.’

Veel – vooral moderne – spullen lijken inderdaad een onneembare vesting. “Fabrikanten hebben liever dat we een nieuw apparaat kopen als er iets stuk gaat,”weet één van de klussers. “Maar met een schroevendraaier en een dosis lef kom je overal in, hoor. Daarna is het natuurlijk wel de vraag of je ziet waar het defect zit. Een compleet doorgebrande motor, daar doe je niets meer aan. Maar meestal zit er alleen een draadje los of heeft een zekering het begeven. Of er zit gewoon een hoop viezigheid tussen de onderdelen.”

Het eerste Repair Café werd in 2009 opgericht door Martine Postma in AmsterdamWest. Het jaar daarop start Natuur- & Milieuteam De Pijp er een in onze eigen wijk, tegelijk met de oprichting van de landelijke stichting Repair Café. Sinds die tijd schieten de aangesloten locaties als paddestoelen uit de grond. In Amsterdam, in heel Nederland en wereldwijd van Sao Paolo tot Portland, Oregon. Elke afdeling drijft gewoon op lokaal initiatief, want dat is – naast de lol, de kostenbesparing en het milieuvoordeel van repareren – één van de belangrijkste doelen van het Repair Café: het bevorderen van sociale cohesie. Of in normaal Nederlands: buurtbewoners die samen een klus klaren. Gratis of hooguit voor de kosten van een snoertje of een paar batterijen.

In De Pijp wordt het Repair Café onder andere gesteund door het Huis van de Wijk en doen ook de Regenbooggroep en de Voedselbank mee.

Marius Singel is coördinator van de Voedselbank. Hij is blij met de komst van het Repair Café op zijn terrein: “Het past goed bij elkaar, het gaat om hergebruik in plaats van weggooien.” Hij is trots op de opknapbeurt die het oude gebouw momenteel ondergaat en waar het Repair Café van profiteert. “Er is een betonvloer in het gebouwtje gelegd waar nog laminaat op komt, en het buitenterrein wordt opgehoogd. Zo worden we toegankelijker, hebben we geen last meer van muizen en water en ziet het er gewoon netjes uit. Veel van onze bezoekers hebben het niet breed, en dan is het juist belangrijk om ze keurig te kunnen ontvangen.”

Er zijn al veel mooie woorden gesproken en geschreven over het Repair Café. Martine Postma viel in de prijzen (o.a. de Gouden Wimpel van de Postcodeloterij) en staat hoog in de duurzaamheidslijst van dagblad Trouw. Allerlei instanties en overheden steken de loftrompet over het initiatief. Volkomen terecht, maar aan de tafels van het Repair Café gaat het gewoon om een oude haardroger die er na veertig jaar de brui aan heeft gegeven. “Een nieuwe kopen?” vraagt de eigenaar verbaasd. “Eerst maar eens kijken of hij niet aan de praat te krijgen is.”

En verdraaid, hij doet het weer. “Op naar de volgende veertig jaar!”