Boekenhonger en Leesdrift

Datum: 16 februari 2021 / Editie: Februari 2021 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Mensen lezen steeds minder en de verkoop van boeken neemt af. Het zijn landelijke trends die al enkele jaren bekend zijn, maar hoe staat het met de boekenhonger en leesdrift in onze buurt? Vooral nu, in tijden van corona nu alle niet-essentiële winkels – waaronder boekhandels – hun deuren moesten sluiten?

Marcel Dikstra, eigenaar van antiquariaat Fenix in de Frans Halsstraat, nam een inboedel met boekenvoorraad over en vestigde zich 25 jaar geleden in De Pijp. Zijn pand kan hij onder gunstige voorwaarden huren; een plezierige bijkomstigheid in deze tijden van krimp. Samen met Hans Streppel die een antiquariaat in de Pienemanstraat bestiert, zijn zij de enigen in de buurt.

Dikstra heeft zich naast de algemene voorraad, de laatste jaren gespecialiseerd in filosofie en geschiedenis en bedient daarmee een redelijk stabiel publiek.

De naam Fenix bedacht hij zelf: “Net als de Fenix, vinden boeken hier een tweede leven. Ze komen vaak verstoft uit oude kelders of zolders en beginnen hier aan een nieuwe reis. Ze gaan weer de wereld in”.

Toevallige klanten
Vóór corona had Dikstra vooral buurtbewoners als klant, maar daar kwamen steeds meer toeristen voor in de plaats. Als gevolg van de demografische veranderingen vormen zij inmiddels de meerderheid. “Toeristen zijn eigenlijk toevallige klanten die niet speciaal naar mij toekomen maar hier toevallig langslopen, vanaf het Museumplein op weg naar de Cuyp. Wat ik aan buurtbewoners als klanten kwijtraakte, vulde zich aan met toeristen, maar nu heb ik geen van beiden.” Van toename van de verkoop via internet is in de tweede lockdown ook geen sprake meer. In de eerste lockdown wel, na een week of drie van totale stilte. Daarna begon de internetverkoop toe te nemen. Dikstra: “Maar de groei is er nu uit. Er zijn inmiddels zo’n 9000 digitale boekwinkeltjes. Daar moet je als antiquariaat mee concurreren.”

Boek-to-go
Toch gaat Dikstra niet bij de pakken neerzitten. “Ik probeer een aantrekkelijke etalage te maken en die twee, drie keer per week te verversen.” Bovendien maakt Dikstra gebruik van de social media waar hij regelmatig op ‘post’. Deze vormen zo een nieuw kanaal voor zijn verkopen. En ondanks de lockdown verkoopt hij ook weleens een ‘boek-to-go’, gewoon aan de deur aan een geïnteresseerde passant. Maakt hij zich zorgen? “Het moet niet heel veel langer duren. Dan wordt het een probleem.” Een passant met een stapel boeken in de hand, meldt zich voor zijn etalage. Die komen vast uit zo’n boekenkastje hier aan het begin van de straat, aldus Dikstra. “Naar binnenkijken mag”, instrueert Dikstra, “rondlopen en rondkijken niet.” De spontane bezoeker krijgt een visitekaartje toegestopt om online te shoppen. Met een “Succes, wel blijven bestaan hè!”, neemt de klant afscheid. “Nog vier weken hè?’’ Het klinkt als een hart onder de riem.

Caspertje
In Kinder-en jeugdboekenwinkel Casperle kunnen ouders en jonge lezertjes hun hart ophalen aan kleurrijke (prenten) boeken en spannende verhalen. Casperle is Zuid-Duits voor Caspertje en verwijst naar zoon Casper van eigenaar Oliver Schmidt-Reps. Hij startte de winkel aan het Sarphatipark tien jaar geleden. Sinds drie jaar heeft hij een compagnon, Karlijn Cohen, die de PR van de winkel voor haar rekening neemt.

”Het is veel relaxter nu”, vertelt Oliver. “Ik heb meer tijd voor alle andere dingen die bij het runnen van een boekhandel komen kijken.” Oliver schrijft zelf ook romans. Hij won met zijn debuut ‘De dag die nooit komt’ in 2019 de prijs voor het Beste Boek voor Jongeren.

Karlijn verzorgt de etalage, de website, de nieuwsbrieven en andere media waardoor er een levendige relatie met de omgeving bestaat. Zij volgde de deeltijd Pabo en heeft een communicatieachtergrond. In de boekwinkel kan zij op veel fronten haar ei kwijt.

Bij Casperle worden namelijk niet alleen boeken verkocht. De boekwinkel draagt ook bij aan de lees- en taalbevordering van kinderen. Karlijn en Oliver organiseren poëzie workshops en maandelijkse poppenkastvoorstellingen. En ze promoten de Nationale Voorleesweek. Corona strooit ook bij Casperle roet in het eten, maar de prentenboeken top-10 ligt natuurlijk wel in de etalage. Waaronder ook het bekroonde prentenboek ‘Coco kan het’ van illustrator en schrijfster Loes Riphagen (uit De Pijp).

Wij zijn er nog!
Schmidt-Reps en Cohen ervaren de coronaperiode als heel wisselend. Oliver: “Het afgelopen jaar begon eigenlijk heel goed. Wij zijn een buurtwinkel en mensen bleven in hun buurt. Dat was voor ons een voordeel. Daarbij waren de scholen dicht en de bibliotheken gesloten. Ook dat heeft zeker in ons voordeel gewerkt. Er werd veel voor kinderen gekocht en onze verkoop steeg. Maar de sluiting van de winkel heeft wel behoorlijke gevolgen voor onze omzet. Onze hoop is nu gevestigd op de online bestellingen, vult Karlijn aan. En op de uitbreiding van de webshop. Wij kunnen alles bestellen en ook zo laten zien: wij zijn er nog!”


Landelijke cijfers op een rij
De Stichting CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse boek) zet sinds 1997 de landelijke cijfers van de boekenmarkt op een rij. In 2020 is de markt met 6 procent gegroeid. In totaal zijn er 41 miljoen boeken verkocht met een waarde van 597 miljoen euro. Kinderboeken en fictie groeiden hierbij het sterkst. Voor het eerst is er sinds afgelopen jaar meer online gekocht; binnen dit segment steeg de omzet met 27 procent. De fysieke boekhandels profiteerden hier niet van; zij zagen hun omzet met maar liefst 11 procent krimpen. Een verlies dat voornamelijk is terug te voeren op de harde lockdown die half december is ingegaan. Bibliotheken profiteerden wel van de online aandacht: daar steeg de uitleen van e-boeken met maar liefst 45 procent. Een groei waar de papieren boeken niet van profiteerden: de uitleen van het fysieke boek daalde met 25 procent ten opzichte van 2019
(bron: cpnb.nl).

Schrijver in de buurt

Datum: 8 december 2020 / Editie: December 2020 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Deel 6
‘O de wereld is klein, zo gruwelijk hopeloos klein’.

Dit is het. Veel meer wist NRC Handelsblad-recensent K.L. Poll niet te bedenken na zijn eerste lezing van de roman ‘Bleekers Zomer’, het romandebuut van Mensje van Keulen. Na herlezing van de ‘kleine roman’, herziet hij echter zijn mening en roemt de bijzondere stijl van het boek. Er zouden maar weinig auteurs tot een dergelijke prestatie in staat zijn.

Bleekers Zomer is uitgegroeid tot een veelgelezen en veelgeprezen klassieker in de Nederlandse literatuur, die zich voor een groot deel afspeelt in De Pijp. Mensje van Keulen, pseudoniem van Mensje Francina van der Steen, schreef het boek in 1972. Daarna volgde een lange reeks publicaties van haar hand: romans, verhalen, gedichten en kinderboeken. In 1994 kreeg zij de Constantijn Huygensprijs voor haar gehele oeuvre.

Walgelijke energie in de ochtend
In ‘Bleekers Zomer’ zit het de hoofdpersoon Willem Bleeker niet mee. Hij tobt met lichamelijke ongemakken (constipatie), een neurotische aanleg, een bekrompen echtgenote, dreinende kleine kinderen ‘met een walgelijke energie in de ochtend’, een Haagse lawaaierige bovenwoning die stinkt naar de ondergelegen kapsalon en een lullig baantje bij een papierhandel waar de hiërarchie hoogtij viert. In een moment van onoplettendheid maakt Bleeker een fout en moet zich bij zijn directeur verantwoorden. Als Bleeker hem kadetjes etend betrapt achter een bijna leeg bureau, de ingelijste portretten van Jezus en Maria aan de muur, knapt er iets in hem. Hij is het zat en gaat er vandoor. Zijn witte jas en aktentas laat hij achter op het kantoor.

Niet meer dan zes gulden
Bleekers eerste vluchtplaats is het snikhete Zuiderpark in Den Haag. Daar doezelt hij en droomt van zijn jeugdige voetbalavonturen in het Amsterdamse Bos. Dan vertrekt hij naar Amsterdam, met niet meer dan zes gulden en een paar lucifers op zak. Maar wat graag vertelde hij altijd dat hij daar geboren was, in Zuid. Dat het in De Pijp was – in de Govert Flinckstraat, waar de brouwerij van Heineken altijd te ruiken was – liet ie maar achterwege. Want De Pijp van toen, met volop industrie midden in de wijk, zei zijn gehoor veelal niks.

Een bonte stoet
‘De zomer van Bleeker’ beslaat drie dagen waarin Willem Bleeker – Willie – vrienden en bekenden van weleer bezoekt. Hij logeert eerst bij Daatje Kippers, de oude, wat verwarde nicht van zijn moeder. Later belandt hij in het hart van De Pijp bij zijn oude vriend Gerrie Fontijn. Gerrie is een echte scharrelaar die ‘in de antiek en de oude klokken zit’, met een winkel annex werkplaats op het Gerard Doupleintje. Hij introduceert Bleeker in zijn wereld van gewiekste zakenlui, losse zeden, veel geld en een bonte stoet mensen, de een nog gekker dan de ander. Zoals de verslaafde Deukie en Joyce, vriendinnen van Gerrie; louche handelaren met dikke auto’s; KC die al twaalf jaar medicijnen studeert; dikke Annie; een prostituee met ‘een zevenmijlskut’ en ‘de wandelende tak’ Coba die zich onder de mannenclub laat verloten. Mensje van Keulen schildert een beeld van De Pijp in de jaren zeventig, bevolkt door vreemde snuiters en verslaafden, geteisterd door verval.

Puddingtompoezen
Zijn drie dagen in De Pijp brengen Bleeker geen verlichting. Hij kan niet tegen de drank en niet tegen het vreemde eten in het Spaanse restaurant. Hij raakt uitgeput. Zelfs de zorgvuldig uitgezochte puddingtompoezen die hem aan vroeger doen denken, smaken niet zoals hij had gehoopt. Bleeker had zich vóór zijn vertrek naar Amsterdam voorgenomen om niet zijn hele leven op een kantoor te slijten en vooral om niet dood te gaan op het adres waar hij nu woont. Toch gaat hij terug naar huis: ‘Ik ben geen scharrelaar, souteneur of student, ik ben een man met een gezin, een man die een gewoon autootje heeft waar ie door de week geen kilometers mee maakt. Ik eet smakelijk als ik een prak met een kuiltje jus voor mijn neus heb’. (Uit: ‘Bleekers Zomer’).

Gewoon doorlopen
Is Willem Bleeker terug bij af? Hij is dan wel niet ten onder gegaan in De Pijp, maar is wel terug in de doffe teleurstelling die wellicht onlosmakelijk met ons bestaan verbonden is. Is dat het lot dat onze antiheld bij thuiskomst wacht? Of put hij zijn laatste restje moed uit de gedachte dat hij zijn lot in eigen hand kan nemen en doet hij wat hij zichzelf tijdens zijn terugkeer naar Den Haag op het strand van Scheveningen voorhoudt?

‘De zee inlopen dacht ie, niet mijn armen spreiden als het water m’n borst raakt, maar gewoon doorlopen.’ (Uit: ‘Bleekers Zomer’)

Schrijvers in de buurt

Datum: 19 augustus 2020 / Editie: Augustus 2020 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Deel 4
Gezien en niet onopgemerkt gebleven – Gerard Reve (1923-2006)

‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeentwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis Frits van Egters, ontwaakte. Hij keek op zijn lichtgevend horloge dat aan een spijker hing. “Kwart voor zes”, mompelde hij, “het is nog nacht”. Hij wreef zich in het gezicht.’
(Fragment uit ‘De Avonden’)

In 1946, in een huis op de Jozef Israëlskade 116 (nu 415) in De Pijp zette Gerard van het Reve (later zonder ‘van het’) de eerste zinnen van ‘De Avonden’ op papier. Hij maakte met deze roman als Simon van het Reve zijn schrijversdebuut. ‘De Avonden’ werd een daverend succes, al werd het boek niet door iedereen met gejuich ontvangen.

Televisierel
Confessioneel Nederland sprak er schande van; de vakbroeders in de literatuur waren verdeeld. Het zou om ‘mensonterend’ proza gaan. Anderen prezen juist de groteske en bevrijdende humor en de durf om de naoorlogse leegte bij de jeugd zo openhartig te beschrijven.

Ondanks alle kritiek won Reve met zijn debuutroman de eerste Reina Prinsen Geerlingsprijs. Met dit boek zette Reve de toon: een begenadigd schrijver, met een onmiskenbaar stemgeluid en archaïsch taalgebruik; gekenmerkt door tegenstellingen, controverses en uitersten. In 1969 ontving hij uit handen van Marga Klompé, de toenmalige Minister van CRM, de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre. Hij omhelsde de minister en veroorzaakte een televisierel met deze voor die tijd ongekende vrijmoedigheid tegenover autoriteiten.

‘De Avonden’ werd ondertussen in vele talen vertaald, en in grote oplagen herdrukt.

Legendarisch
Gerard Reve werd geboren in 1923 en groeide op in de Amsterdamse buurt Betondorp. In een communistisch milieu, “een levensvijandige overtuiging” zoals hij daarover in een VPRO-interview in 1991 zei. In 1966 trad hij toe tot de Rooms Katholieke kerk; zijn doop zou in een kerk in de Rustenburgerstraat hebben plaatsgevonden. Hij was een periode gehuwd met de dichteres Hanny Michaelis, maar was openlijk homoseksueel en woonde samen met een of meerdere partners. Teigetje en Woelrat, bijvoorbeeld, die ook als romanfiguren in zijn boeken voorkwamen. Zijn “geleerde broer” Karel van het Reve werkte als hoogleraar Slavische Letterkunde in Leiden.

Reve vertrok in 1964 uit Amsterdam en woonde onder andere in Greonterp (Friesland) en Veenendaal. Met Joop Schafthuizen, zijn laatste levenspartner, trok hij in 1974 naar Le Poet-Laval in Frankrijk en later naar Machelen (België). Daar stierf hij in 2006, gelauwerd en verguisd, geridderd, gehaat en aanbeden; gezien en niet onopgemerkt gebleven. Hij liet een groot en divers oeuvre na, en herinneringen aan talloze schandalen.

Eentonig, saai en verveeld
In ‘De Avonden’, zijn eerste en misschien ook wel bekendste boek, laat Reve de lezer kijken door de ogen van de 23-jarige Frits van Egters in de laatste tien dagen van het jaar 1946. Frits is mislukt op school en werkt als klerk op een kantoor. Frits woont nog bij zijn kleinburgerlijke ouders, met wie hij een tamelijk gecompliceerde relatie heeft. Vooral aan zijn vader ergert hij zich mateloos; zijn observaties van hem zijn meedogenloos. Frits heeft een vriendenkring, gaat met hen uit en bezoekt een reünie van zijn gymnasium. Zijn bestaan kabbelt voort, eentonig, saai en verveeld.

De gesprekken in ‘De Avonden’ zijn vaak absurd en afstandelijk. Ziektes, afwijkingen, dood en verderf voeren daarbij de boventoon. Frits is geobsedeerd door (zijn) beginnende kaalheid en wordt in zijn slaap geteisterd door nachtmerrieachtige dromen. Hij registreert alles om hem heen in plechtig taalgebruik. Dat maakt een afstandelijke, cynische en soms ook wel humoristische indruk. “Men dient de beproevingen in het gelaat te zien”, verzucht Frits als hij met voelbare tegenzin ’s avonds nog de deur uit moet om naar een afspraak te gaan. Het verhaal eindigt met de start van het nieuwe jaar waarin Frits tot God bidt voor het zielenheil van zijn ouders: “Eeuwige, enige, almachtige, onze God”, zei hij zacht, “vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af.”

Bijbeltje
Veel mensen beschouwen ‘De Avonden’ als hun bijbeltje. Hoe verklaarde Reve zelf het succes van zijn debuutroman? Hoewel hij zich verbaasde over de grote belangstelling en de schare liefhebbers, had hij beslist nagedacht over de opzet en structuur van zijn boek. Ondanks de eentonigheid en de verveling in de roman slaagde hij er in bij de lezers ook spanning op te roepen. Reve daarover: “Er vindt zeker een bepaalde psychologische ontwikkeling plaats in het bewustzijn van de held. Er gebeurt van alles en tegelijkertijd niets. Eigenlijk is het een boek zoals al mijn boeken, over de dood; het hoofdthema van alle kunst. De dood is dan eigenlijk het ouder worden en daarvan is het symbool in De Avonden het kaal worden al dan niet langzaam of snel, met een krans die nog overblijft.”

Antigriepinjectie
Reve raadde lezers aan ‘De Avonden’ vooral ook in de periode vóór Kerstmis te lezen. “…dat mistige en dat waterkoude en die sof…, al die vreselijke armoede. Als je je daartegen wilt wapenen en dat wilt ondergaan dan moet je eigenlijk De Avonden lezen. Als een antigriepinjectie. Je geeft de mensen iets mee, dat moet toch ook?”

Schrijvers in de buurt

Datum: 25 juni 2020 / Editie: Juni 2020 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Deel 3
Rogier Vogelenzang
en de hulpweigeraar

Rogier Vogelenzang had een drukke huisartsenpraktijk én wilde schrijven. Een kort bericht in de Volkskrant zette hem op het spoor. In 2016 verscheen zijn debuutroman ‘Aantekeningen van een hulpweigeraar’ over de bejaarde Albert de Joode en de waanwereld waarin hij leeft.

In de roman van Rogier Vogelenzang kruipt de lezer in het hoofd van de 89-jarige Albert de Joode. Samen met zijn vrouw Hanni woont hij op een bovenwoning in de Dusartstraat in De Pijp. De woning is zwaar vervuild en drukbevolkt met vliegen, motten, ratten en maden. Ook de katten uit de buurt komen er graag. Zij doen zich tegoed aan eendagskuikens in diverse stadia van ontbinding, die Albert
op het platte dak aan hen voert.

‘De motten zitten behalve in de vos ook in de tapijtjes. Op deze hete zomerdagen zie je ze in grote aantallen rondfladderen, en van de vele bromvliegen hoor je voortdurend het gezoem. Soms word ik niezend wakker uit een middagslaapje in mijn luie stoel, omdat een vlieg mijn neus wil binnendringen. Er krioelen maden op het aanrecht en op het matras. Als Hanni beter is, moeten we daar maar eens wat aan doen. In het najaar worden het er vanzelf wel minder’. (Fragment uit ‘Aantekeningen van een hulpweigeraar’).

Dood aangetroffen
Wat motiveerde Rogier Vogelenzang (huisarts in ruste en voormalig docent aan de huisartsenopleiding van het AMC) om in zijn debuutroman een stem te geven aan een figuur waar je je als lezer niet gemakkelijk mee identificeert? Het was een bericht in de Volkskrant in 2005 over een 89-jarige man die dood in zijn huis werd aangetroffen. Bij de ontruiming van zijn zwaar vervuilde huis, trof men ook het lichaam aan van zijn ongeveer twee jaar eerder overleden vrouw.

Het fenomeen zorgmijder was Vogelenzang als huisarts niet vreemd. In zijn praktijk kreeg hij er regelmatig mee te maken, maar ook zijn hulp werd geweigerd. Vogelenzang: “Ik was enorm geboeid door het fenomeen. Wat maakt dat iemand zichzelf zo verwaarloost en de wereld op een afstand houdt en elke vorm van ondersteuning of belangstelling als bedreigend ervaart? Een beetje contact maken was het enige dat ik kon doen.”

Psychotische verwarring
Schrijvende aan zijn roman kon Vogelenzang zich verder verdiepen in de wereld van de zorgmijder. De ‘aantekeningen’ van zijn hoofdpersoon gunnen e lezer een blik in de waangedachten van Albert de Joode, die na het sterven van zijn vrouw in een enorm isolement terechtkomt. Albert is voortdurend op zijn hoede en is bang om opgepakt te worden. Hierbij spelen zijn dramatische herinneringen hem parten. Zijn vrouw en hij verborgen in de oorlog een Joods echtpaar in hun huis. Bij de overdracht naar een ander adres zijn de onderduikers verraden en omgekomen.

De gekte slaat toe en in zijn psychotische verwarring gaan Alberts heden en verleden in elkaar overlopen. Zijn situatie verslechtert, maar ook dan weigert Albert resoluut alle hulp die hem door diverse instanties wordt aangeboden. Hij blijft zijn best doen zijn autonomie te bewaren en gaat niet mee in de weliswaar goede, maar ook zeer bemoeizuchtige pogingen van de zorg. Want ook daar zat voor Vogelenzang de inspiratie voor zijn roman: het benadrukken van de onafhankelijkheid van het individu. Iets waar hij zichzelf goed in kan verplaatsen. De roman eindigt met een onvermijdelijke huisuitzetting en gedwongen opname van Albert, ondanks zijn verzet daartegen. De hulpweigeraar is geïnstitutionaliseerd. In de epiloog van het boek staat een verslag van de toenmalige GG & GD, bedoeld als opnamebrief voor het psychiatrische ziekenhuis waar Albert wordt opgenomen.

Schemergebied
De roman van Vogelenzang legt een lastig dilemma bloot. Moeten hulpverleners leven en laten leven of ingrijpen? Ben je eigenlijk vrij te leven zoals je zelf wil als je daarmee niemand tot last bent? Kan en mag een psychisch verward persoon zelf bepalen in welke mate hij of zij de hulp en bescherming accepteert, of heb je daar als omgeving zeggenschap over?

In ‘Aantekeningen van een hulpweigeraar’ zegt Albert: ‘Leg me dan toch eens uit waarom je mij een probleemgeval vindt. Ik bied je koffie aan in een net restaurant, ik betaal mijn huur op tijd en ik val helemaal niemand lastig. Waarom laten de mensen mij mijn leven niet leven?’

Het is een vraag die zich niet meteen laat beantwoorden. “Het is een echt schemergebied”, aldus Vogelenzang. De discussie over dit vraagstuk is nog lang niet gedoofd.

Schrijvers in de buurt

Datum: 28 april 2020 / Editie: April 2020 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Deel 2
Een literair lastpak – Renate Rubinstein (1929-1990)

Maandag.
Kloten. Man weg. Koffers gepakt, verdwenen. Moest wel nog even zeggen dat -ie tien jaar ongelukkig was geweest. En dat na elf jaar lang op z’n minst twee keer per week zeggen dat wij toch zo’n ideale combinatie waren. Zonder een beetje wreedheid gaat het blijkbaar niet. Kan barsten ook. Rotter dan het de laatste maanden was kan het nooit worden. Het huwelijk maakt misdadigers van ons allen. (uit: ‘Niets te verliezen en toch bang’ (1978)).

Wie was Renate Rubinstein, een vrouw die zich als schrijver, journalist en columnist publiekelijk roerde in politieke en eigentijdse kwesties? En die, zeker voor haar tijd, ongekend openhartig over haar zielenroerselen schreef? Wat dreef haar in haar leven en werk? Wat is haar relatie met De Pijp?

Schrijvend bestaan
Renate Rubinstein werd in 1929 in Berlijn geboren. Toen in 1933 de nazi’s aan de macht kwamen, vluchtte het gezin naar Nederland. Een fatale beslissing, zoals later zou blijken. Want al in het eerste oorlogsjaar werd Renate’s joodse vader gearresteerd en niet veel later in Auschwitz vermoord, een gebeurtenis die haar leven in grote mate zou bepalen.

Renate Rubinstein hield het een paar jaar vol op het Amsterdamse Vossius Gymnasium. Daarna werkte ze voor uitgeverij Van Oorschot, tot een ongelukkige liefde haar naar Israël dreef. Ze werkte daar in een kibboets en studeerde Hebreeuws. Terug in Amsterdam verruilde zij het studentenleven al snel voor een schrijvend bestaan. Ze schreef voor diverse kranten en tijdschriften, waaronder het Nieuw Israëlitisch Weekblad en het spraakmakende Propria Cures.

‘Stelligheid in kort bestek’
In 1961 volgde een nieuwe carrièrestap. Renate Rubinstein werd gevraagd als columnist voor de vrouwenpagina van Vrij Nederland, een weekblad dat in die tijd veel opzien baarde. Onder het pseudoniem Tamar gaf zij haar persoonlijke visie op de wereld. Die ‘stelligheid in kort bestek’, zoals haar biograaf Hans Goedkoop het omschrijft, was helemaal nieuw. VN-redacteur Rinus Ferdinandusse noemde haar de eerste echte columnist van Nederland.

Haar columns waren een groot succes. Maar dat gold niet voor haar verstandhouding met de redactie van Vrij Nederland. Renate vond hen een stelletje “vieze, linkse communisten.” Toch werd ook zij meegesleurd door de omwentelingen in de jaren ’60. Zij protesteerde tegen het huwelijk van Beatrix en Claus, verzette zich tegen de Amerikaanse interventie in Vietnam, schreef een controversieel boek over Israël en de Arabische buurlanden en voerde een reeks andere achterhoedegevechten.

Knalrood invalidekarretje
Hoe meer Renate Rubinstein zich roert, sterk maakt of afzet – tegen China, het feminisme, kruisrakketten – hoe meer zij fysiek aftakelt. Ze blijkt MS te hebben en kan steeds minder. Gelukkig heeft zij een opgevoerd, knalrood invalidekarretje waarmee zij zich in de stad nog redelijk kan verplaatsen. In deze periode verschijnt haar openhartige roman ‘Nee heb je, notities over ziek zijn’ (1985). Renate woont inmiddels aan het Sarphatipark en een nieuwe man speelt een belangrijke rol in haar leven. De relatie met de getrouwde schrijver en Parool-columnist Simon Carmiggelt duurde tien jaar en moest al die tijd geheim blijven. Haar laatste boek, ’Mijn beter ik’, gaat over die relatie en verschijnt in 1991, na haar dood.

‘Een verliefde man is ongeduldig’
Al in 1981 schrijft Carmiggelt in zijn column in het Parool over een kleine man op een bankje in het Werthheimpark, die vertelt over een geheime liefdesrelatie in een grijs verleden: ‘En die vrouw woonde daar in die zijstraat op nummer 15. Ik mocht weleens een middag bij haar komen vrijen. Om twee uur precies aanbellen, geen seconde eerder, zo was zij nu eenmaal. Maar een verliefde man is ongeduldig. Ik was altijd ruim een uur te vroeg en dan ging ik hier, in dit parkje, wachten tot ik mocht aanbellen. Eigenlijk waren dat mooie uren. Ik was bijna bij haar.’

De man op het bankje was natuurlijk Carmiggelt zelf. Iedere dinsdagmiddag wachtte hij op een bankje in het Sarphatipark tot het afgesproken tijdstip om zijn minnares te bezoeken.

‘Zolang ik er zin in heb’
Wat bond Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt al die jaren? Vermoedelijk waren zij elkaars troost in hun dagen van verval. Rubinstein was ziek en aan huis gekluisterd; Carmiggelt had zijn drankzuchtige periode afgesloten en werd steeds onzekerder over zijn talenten.

Het Sarphatipark was de wachtkamer van hun verboden maar zinderende liefde. Daarvan getuigen de honderden kaarten die Carmiggelt aan Renate schreef.

Carmiggelt stierf plotseling in 1987. Rubinstein nam in november 1990 het heft in eigen hand. “Want mijn leven heeft voor mij zin zolang ik er zin in heb.”
(uit: ‘Nee heb je, noties over ziek zijn’).

Met dank aan Jolien Manassen van Literalinea.

Schrijvers in de buurt

Datum: 18 februari 2020 / Editie: Februari 2020 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Deel 1
Een onrustig leven – Jacob Israël de Haan (1881-1924)

Jacob Israël de Haan wordt geboren in een groot orthodox-joods gezin en groeit op in Zaandam. Vanaf 1896 gaat hij naar de kweekschool in Haarlem. Hoewel zijn vader voorzanger (chazzan) is in de synagoge, is Jacob marxist en wordt lid van de SDAP. Hij schrijft voor het Volk, een socialistisch dagblad waar hij een tijdje de kinderrubriek redigeert. Hij doet staatexamen, studeert rechten en promoveert in 1916. De Haan blijkt een multitalent: hij geeft les en hij publiceert proza, poëzie en artikelen in verschillende tijdschriften. Naast de opzienbarende roman ‘Pijpelijntjes’ schreef hij ook ‘Kanalje’ (1904), ‘Ondergangen’ en ‘Pathologieën’(1907) over de ondergang van Johan van Vere de With.

Correspondent in Palestina
De Haan nam afstand van het socialisme en keerde terug naar het joodse geloof. Toen pas ging hij zijn tweede naam gebruiken: Israël. Na zijn emigratie naar Palestina in 1919 sloot hij zich aan bij Edah HaChareidis, een organisatie met felle antizionistische opvattingen. Hij zet zich in voor een betere verstandhouding tussen Joden en Arabieren en is voorstander van een één statenmodel. In zijn nieuwe vaderland werkt hij als correspondent voor het Algemeen Handelblad, de huidige NRC. Hij schrijft bijna 400 feuilletons over de opbouw van het ‘Joods Nationaal Tehuis’, over het dagelijkse leven in Jeruzalem en over de Arabische bevolking van Palestina. Zijn antizionistische overtuiging komt hem duur te staan: in 1924 wordt hij op straat vermoord door een lid van de Zionistische bevrijdingsbeweging Hagana. Zijn begrafenis leidt tot een massale betoging in Jeruzalem. ‘Vrijwel de hele Joodse orthodoxie van Jeruzalem’ protesteert tegen de Zionisten aan wie men de moord toeschrijft.

Rumoer rond Pijpelijntjes
‘Pijpelijntjes’ (1904) was niet de eerste maar wel de meest geruchtmakende roman van De Haan. Het verhaal speelt zich af in De Pijp en is een van de eerste romans waarin een homoseksuele relatie openlijk wordt beschreven. Het boek bevat een verzameling van losse schetsen: over het leven in De Pijp en over de moeizame liefdesrelatie van Joop en Sam – vermoedelijk gemodelleerd naar Jacob Israël de Haan en zijn goede vriend Arnold Aletrino. ‘Pijpelijntjes’ gaat over hun gevoelens voor elkaar, hun letterlijke worstelingen, hun twijfels en over seksualiteit. De roman geldt als naturalistisch door de duidelijke, objectieve verteltrant en de directe rede. Daarbij gebruikt De Haan veel nieuwe wonderlijke woorden zoals ‘aandachtsheerlijkheid’ en ‘kleefkloddertjes’. Het is klare taal om het leven weer te geven zoals het is.

‘Sam, verleg die doek d’ris even… …zoo… ja. zoo is ’t goed…Sam, zeg, ben ik heusch anders dan die anderen?’ “Ja, ’n beetje wel…maar praat daar nou niet over.’ ‘Jawel…laten we daar nou wel over praten…hou je veel van me?” ’Dat zeg ik niet, dat weet je wel. ‘net als ik van jou? ’Begint het vaste vragenlijstje weer…nou maar ik zeg ’t niet… altijd ’t zelfde.’ Nee…dat weet je wel‘.
(Fragment uit ‘Pijpelijntjes’).

Desastreuze gevolgen
De omgeving van De Haan, onder wie zijn literaire vrienden Frederik van Eeden en Albert Verwey, reageren ontzet op zijn homo-erotische roman. Ook goede vriend Arnold Aletrino aan wie de Haan het boek opdroeg, verzet zich hevig tegen de uitgave. Hij herkent zich in een van de personages en koopt zoveel mogelijk exemplaren om ze te verbranden. Dat verklaart de hoge prijs van de nog zeldzaam verkrijgbare eerste drukken. De gevolgen voor Jacob Israël de Haan zijn desastreus. Hij verliest zijn baan bij de krant en kan niet meer als onderwijzer werken.

Zulk een mateloos verlangen
Nog tijdens zijn leven raken de boeken van Jacob Israël de Haan in de vergetelheid. Hij legt zich toe op de dichtkunst en publiceert een aantal bundels die vaak homoseksualiteit als onderwerp hebben. De betekenis van Jacob Israël de Haan in de letteren wordt inmiddels wél erkend en ook in het straatbeeld leeft hij voort. Tussen de Van Woustraat en de Amsteldijk in De Pijp is in 1993 een straat naar hem vernoemd, met een klein aan de auteur gewijd monument. Zijn dichtregel ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’ prijkt op het Homomonument in het centrum. En een van zijn gedichten over joods zijn is vereeuwigd op een gedenksteen in de Jodenbreestraat.

Billardfabriek Wilhelmina al meer dan 100 jaar in De Pijp

Datum: 9 december 2019 / Editie: December 2019 / Auteur(s): Margot van Pruissen

ALSOF DE TIJD ER HEEFT STILGESTAAN

Het Pijpjournaal, de voorloper van De Pijp Krant, besteedde al eerder aandacht aan de bijzondere billardfabriek Wilhelmina. In 1995 werd de toenmalige eigenaar Cees van Oosterhout in de krant geportretteerd. Intussen zwaait een nieuwe generatie Van Oosterhout de scepter aan de Stadshouderskade 127, het adres waar de in 1898 opgerichte biljartfabriek sinds 1911 is gehuisvest. Het zijn de junioren Paul, Robèrt en Isabelle, allen 50+, die nu het roemruchte bedrijf van hun vader Cees bestieren.

Een paar jonge mannen staan gebogen over een miniformaat pooltafel en proberen die uit met deskundige uitleg van Paul. Het is een verrassende aanblik, omdat het statige pand vaak een lege en verstilde indruk maakt, alsof de tijd er heeft stilgestaan.

Het tegendeel is waar. In de directiekamer halen Paul, Isabelle en later ook Robèrt van Oosterhout naar hartenlust herinneringen op. Over hun familie, over de toernooien die zij met hun vader bezochten, over de prachtige biljarts in de cafés om de hoek. Paul, de meest spraakzame van het stel, somt ze in één adem op: ”Allemaal binnen een straal van 1 kilometer, om de hoek bij ons bedrijf.” Op de achtergrond klinken werkgeluiden en in de winkel vertrekt een verdwaalde passant weer. “Er schuifelt hier van alles naar binnen”, zegt Isabelle.

Vermaarde biljartkampioen
Oprichter en eerste eigenaar van Billardfabriek Wilhelmina was Isaac Salomons die een belangrijke basis voor het bedrijf legde. Ondanks de destijds moordende concurrentie en het gebrek aan aanbod van zogeheten bijproducten, zette hij een goed lopend bedrijf op poten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de fabriek onteigend. Isaac Salomons en zijn vrouw werden gedeporteerd naar Theresienstadt; alleen de vrouw van Isaac overleefde. Het was zijn neef Jacques Salomons die er na de oorlog voor zorgde dat het bedrijf weer in handen van de familie kwam, maar door gebrek aan een opvolger, werd Wilhelmina in 1963 verkocht aan Cees van Oosterhout. Die genoot indertijd grote bekendheid als biljartkampioen, met successen in binnen- en buitenland. Cees van Oosterhout wist zijn biljartcarrière te combineren met de zorg voor de zaak. Hij voerde een sterke PR en had een breed netwerk.

Vrouwelijke topper
Ooit was biljart een sport voor de adel, mannen én vrouwen. Hoe is
dat nu? Isabelle: “Het blijkt moeilijk om jongeren voor biljart te interesseren. Het is een technisch moeilijke sport en het heeft tijd nodig om het onder de knie te krijgen. Wat ook speelt, is dat jongeren minder op locaties met een biljarttafel komen. Bovendien worden veel biljarts ingeruild voor pooltafels. Dat spel is populairder.” Wel blijkt Nederland een jonge vrouwelijke topper te hebben.
Thérèse Klompenhouwer beoefent de biljartsport op hoog niveau en
is daarvoor onlangs onderscheiden. Sinds een paar weken heeft Wilhelmina een sponsorovereenkomst met dit talent. “Als zij doorbreekt, zou zij een mooi voorbeeld zijn voor meer vrouwen in de biljartwereld”, zegt Paul. En mogelijk ook voor meer jongeren.”

Ontstresser
Isabelle: “Bij biljarten moet je de patronen leren ontdekken waarlangs het spel gespeeld moet worden. Het vraagt veel concentratie, maar een voordeel is dat je het alleen kunt spelen. En, vult Paul aan, “het werkt goed als ontstresser. Het zijn dan ook vooral mensen met hectische beroepen, zoals chirurgen en advocaten, die thuis een biljart hebben staan. Die zeggen: ‘laat mij maar even een half uurtje biljarten, dan ben ik los’. Ook bij de luchtverkeersleiding staan een pool- en een carambolebiljart. Na twee uur intensief werken, kunnen medewerkers daar even ontspannen. Hetzelfde geldt voor bedrijven op de Zuidas. Bij de financiële instellingen waar die jongens continu met dat flitsgeld bezig zijn.”

Streepje voor
De klantenkring van Wilhelmina is heel divers en is verspreid over heel Nederland: cafés, biljartverenigingen, zorgcentra, tennisclubs, sporthallen, particulieren. Paul: “Internationaal is het wat minder geworden; het vraagt teveel begeleiding. Wij hebben hier een goede markt, waarmee wij het bedrijf van deze omvang kunnen houden. ”Het geheim van de Van Oosterhouts is daarbij een goede en gedegen service. Vaste klanten hebben altijd een streepje voor; sommigen komen al 30, 40 jaar bij ons. Maar nieuwe klanten zijn uiteraard ook welkom.”

Keutje uitzoeken
De Pijp is een hele leuke werkplek, vindt de familie eensgezind. Isabelle: “Meneer komt hier zijn keutje uitzoeken en mevrouw gaat nog even de markt op. Met een mooi café om de hoek. Nee, het is bepaald geen straf om hier te werken.”

Rijen dik bij Massimo Gelato

Datum: 27 augustus 2019 / Editie: Augustus 2019 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Het aanbod aan ijszaken in De Pijp groeit. Één daarvan en meteen ook wel de meest opvallende is Massimo Gelato; de ijsfabriek van Massimo. In 201 gestart met het maken en verkopen van ambachtelijk Italiaans ijs. Ofwel gelato “een typisch Italiaans ding”, zoals Massimo het zelf liever noemt.

Sinds de opening in februari van dat jaar, lijkt zijn ijs niet aan te slepen en vormen zich rijen dik. Regelmatig staat er een lange sliert wachtenden op de stoep. Op weg naar een biologische, vrij van kleuren smaakstoff en gespatelde lekkernij. De nieuwsgierigheid van De Pijp krant was gewekt: wij wilden hier meer van weten en spraken met Massimo Bertonasco, de baas van de ijsfabriek. En met een aantal wachtenden in de rij.

Het fabriekje
De winkel oogt bedrijvig, rommelig. IJs is niet te zien maar wel hoog opgestapelde zakken vol met amandelen en pistachenoten (voor het pistache ijs; het best verkocht). Geelgroene citroenen in de koeling en kaartjes waarop bijzondere smaken vermeld staan. Spannende combinaties zoals panacotta -vijg en karamel-zeezout.
Met in de werkplaats een klein kruisbeeld aan de muur, als toeziend heilig oog op het vele werk dat op een relatief klein oppervlak wordt verricht. Door een team van twaalf professionele ijsmakers, grotendeels afkomstig uit Italië.

Oerherinnering
Via zijn oma en oom kwam Massimo in aanraking met het ambacht van ijsmaken. Zijn grootmoeder had in zijn jonge jaren een lateria (melkwinkel). “Daar brachten de boerinnen de melk in tonnen op hun fiets of brommer naar mijn oma. Zij verkocht ook eieren, wat verse producten en snoepwaren. Mijn oom die jong en ondernemend was, kocht een oude ijsmachine (‘een Cattabriga’) en ging van die verse ingrediënten ijs maken. Dat is voor mij de mooiste jeugdherinnering: bij oma in de melkfabriek. Als ik hier binnenkom en ik ruik dit, heb ik meteen weer die oerherinnering.”

Principes
Medebepalend voor de keuzes die Massimo in zijn ijsfabriek heeft gemaakt, zijn de ontwikkelingen tussen eind jaren 70-80 tot en met de helft van 2000 in de (Italiaanse) ijsbranche. “Men koos voor open displays in plaats van de ouderwetse gesloten bakken zoals die wij hier hebben. Die zijn nu eenmaal veel goedkoper in aanschaf. Daarbij kwam de nadruk op het zien en de kleur te liggen. Het moest er goed uit zien; dat was een wereldwijde ontwikkeling die zich vanaf de jaren 80 inzette. Dan was er ook nog een hele industrie áchter de zogenaamde ambachtelijke ijsbereiders ontstaan. Die zorgde ervoor dat je met weinig handelingen ook tot een goed product kon komen. Het gevolg hiervan is dat je een afvlakking krijgt van de smaak. Smaak en receptuur worden bijna voor jou bedacht.”

Oorsprong
In Italië is een kleine community van gelatomakers actief die terugkeerden naar de oorsprong. Dát sprak Massimo aan, omdat hij die oorsprong zelf als kind had meegemaakt. “Het zijn de écht gerenommeerde ijssalons, de trendsetters. Terug naar de gesloten bakken, geen gebruik van halffabricaten, geen verharde vetten, geen chemische emulgatoren. In die traditie kan hij zich vinden.”

Keuze voor de Pijp
Massimo besloot in de Pijp neer te strijken. In de wijk waar hij al een hele tijd woont. In een ‘nieges’ pand dat al regelmatig al van eigenaar en handelswaar wisselde. En dan ook nog eens in Amsterdam waar een groot en goed aanbod aan gelato is. Zijn omgeving twijfelde. Toch koos hij ervoor om, gesteund door de ervaringen van zijn oma, voor de huidige locatie te kiezen.

Match met de buurt
Het voordeel van zijn locatie is dat er zich in een straal van 500 meter maar liefst vijf basisscholen bevinden. Daar is bij de keuze van de locatie rekening mee gehouden. Want het zijn nu eenmaal kinderen die altijd ijs willen, niet alleen bij mooi weer. Massimo: “Kinderen zijn je grootste ambassadeurs.”
Het feit dat in de buurt betrekkelijk veel jonge gezinnen wonen ziet Massimo dan ook als een voordeel. Verder is er veel begrip voor zijn keuzes zoals het aanpassen van zijn assortiment aan het beschikbare seizoensfruit. “Dat betekent dat als er geen seizoen voor aardbeien is, er geen aardbeienijs is. De voorspelling was dat mensen dat niet zouden pikken.”

Uithangbord
De eerste rij ontstond al snel, vertelt Massimo. Dat gebeurde in maart na de opening, op een mooie lentedag. “Het klinkt een beetje arrogant, maar wij weten niet beter: bij mooi weer staat er een rij. Wij hebben daarmee leren omgaan. In het begin vonden wij het heel stressvol. Maar mensen vinden het niet erg om in de rij te staan, het is gemoedelijk, en soms ga ik er zelf ook even tussen staan, de sfeer is echt goed.” Dit jaar blijkt er sprake van een trend: wachtenden filmen de rij en plaatsen dit op Instagram. ”Die rijen zijn bijna ons uithangbord geworden.” Overigens komt nog steeds het merendeel van zijn klantenkring (75%) uit de buurt, en de rest van daar buiten.

Reacties uit de rij
“Het valt niet mee”, vertelt Andrea (31, afkomstig uit Italië en Pijpbewoner), “om echt goede Italiaanse producten in Amsterdam te krijgen. Daarom kom ik graag hier. Ik vind hier echte kwaliteit.”
Sielke (29, afkomstig uit Duitsland, woont ook in de buurt) wacht geduldig met haar vriend Felix (26 jaar en Fransman). “Wij hebben door heel Italië gereisd en hebben overal ijs geproefd. Maar wij vinden het ijs van Massimo echt het allerbest. In de rij staan op deze leuke locatie is geen straf, het doet ons aan vakantie denken.”

Down to earth
“Ja, beaamt Massimo, deze ontwikkeling maakt me erg trots. Maar ik ben van boerenafkomst. En ik ben opgevoed met de gedachte dat één jaar goede oogst nog geen garantie geeft voor het komende jaar. Dus wat dat betreft voeten op de grond.” Blij is hij zeker met de enthousiaste clientèle maar ook dat verplicht: “het is mooi en laten wij vooral dankbaar zijn want het is niet vanzelfsprekend dat mensen het er voor over hebben om bij ons te komen. Dus laten wij ons uiterste best doen om dat waar te blijven maken.


Zo dichtbij mogelijk
“De belangrijkste ingrediënten namelijk biologische melk, biologische eieren en slagroom (dat is je core) komen uit Nederland. Rechtstreeks van een boer uit Weesp, van Moma die de melkboer terug heeft gebracht in de Pijp. Daar ben ik de grootste klant met een paar honderd liter melk per week. ” Het fruit dat wordt gebruikt komt veelal uit de buurt. Behalve de citroenen die deels van Sicilië en deels uit Sorento komen, afhankelijk van het jaargetijde. Specifieke ingrediënten haalt Massimo uit Italie.

VoorleesExpress: liefde voor taal en boeken

Datum: 18 juni 2019 / Editie: Juni 2019 / Auteur(s): Margot van Pruissen

“Eigenlijk heb ik altijd wel interesse in taal gehad. Ik vind kinderen heel leuk, ik zocht iets om te doen en dan als vrijwilliger. Daarbij houd ik ook wel van een beetje van uitleggen, ik vind het leuk om buitenlanders wegwijs te maken in de Nederlandse taal.”

Pijpbewoonster Madelon van der Schalie (70 jaar, jong en olijk ogend), is sinds 2 jaar actief als voorlezer bij de VoorleesExpress. Er wordt gedurende een half jaar 20 keer voorgelezen aan kinderen met een taalachterstand, bij de gezinnen thuis. Er zijn momenteel 80 voorlezers actief in De Pijp die bij ruim 50 gezinnen over de vloer komen.

Meer dan voorlezen alleen
Behalve het lezen, komt er veel meer aan bod in het wekelijkse uurtje bij de kinderen thuis. Madelon: “Eerlijk gezegd lees ik niet heel lang voor, tenzij een kind echt wil dat ik een boek of een verhaal uitlees. Ik heb altijd wel boeken bij me en probeer te stimuleren dat zij zelf boeken uitzoeken in de bibliotheek, maar die hele kleintjes worden ongeduldig, zelfs die van 6, en willen dan iets anders gaan doen. Dus doe ik vooral ook taalspelletjes zoals het aloude galgje voor kinderen die een beetje kunnen schrijven. Of ik speel
‘wie ben ik?’ Het kind heeft dan een sticker op zijn hoofd waarop staat wie of wat hij zogenaamd is. Door vragen te stellen moet ie dat dan raden.” Voor veel kinderen is dat best moeilijk vertelt Madelon: “Zij gaan raden en komen er pas na veel aanwijzingen achter. Maar dat is juist
 goed: ook op deze manier praat je met ze en een kind vindt het leuk.”

Aansluiting
“In het begin is het zoeken: waar houdt het kind van en ook hoe staat de ouder tegenover de hulp? Zelf neem ik de eerste keren vaak boekjes mee uit mijn boekenkast, nog van mijn eigen kinderen. En ja, je slaat de plank wel eens mis met te moeilijke of feitelijke boeken.” Zo ging haar vorige voorleeskind rap bladerend door alle boeken die Madelon bij zich 
had. En wilde daarna vooral spelen. En het voetbalboek dat zij voor Rafal van 6, haar laatste pupil, meenam bleek te moeilijk en veel te technisch. Maar hij bleek wel dol op sprookjes te zijn die zij daarna regelmatig aan hem voorlas.

Ook de afsluiting gebeurt aandachtig “De kinderen krijgen een diploma waarop de voorlezer zijn trots uitspreekt. Met daarop alle handtekeningen van de voorlezer, het kind en de ouder. Ook krijgt het kind een klein cadeautje en een ingelijste foto met zijn/haar voorlezer.”

Grootste aanbieder
Het van oorsprong Utrechtse initiatief viert dit jaar in Amsterdam haar tweede lustrum. Lisa Arnold: “In Amsterdam zijn wij ooit gestart met 10 gezinnen en wij koppelen nu per jaar een bestand van 750 vrijwilligers aan gezinnen. Er is een wachtlijst van ruim 20 huishoudens. Wij zijn enorm gegroeid en inmiddels ook de grootste aanbieder van het land.” Lisa is werkzaam als projectmedewerker bij
Diversion, uitvoerder van dit succesvolle vrijwilligersinitiatief.

Taalarmoede
In Amsterdam is de laaggeletterdheid hoog. “Hoeveel kinderen laaggeletterd zijn is bij ons niet bekend, maar in Amsterdam is gemiddeld 1 op de 5 volwassen laaggeletterd. In sommige staddelen ligt dat aantal nog hoger met een verhouding van 1 op 3.” Niet zo verwonderlijk dus dat er een wachtlijst is: de behoefte aan hulp bij het leren lezen en het verwerven een betere taalvaardigheid is groot.

Handvatten aan ouders
Volgens Lisa gaat het bij de VoorleesExpress vooral om het bieden van handvatten aan ouders: “Het is een van de doelen, dat als de vrijwilliger weggaat, de ouders handvatten hebben gekregen en dat zij weten hoe zij taal thuis een blijvende plek kunnen geven.

Het gaat om het stimuleren van taal en taalontwikkeling en dat kan door het doen van een spelletje, kletsen over wat er op school gebeurt. Het zijn doorgaans taalarme gezinnen waarbij praten over wat je dagelijks meemaakt niet gebruikelijk is. Ook daar kan een vrijwilliger aan bijdragen.”

Bijdrage
“Ik draag zeker iets bij” beaamt Madelon, “ik breng de kinderen liefde voor taal en boeken bij en ik zorg ervoor dat zij aardigheid krijgen in het uitzoeken van boeken. En ook dat zij vlotter gaan lezen.”

Ze geeft tijdens de sessies suggesties aan de ouders, bijvoorbeeld welke taalsites leuk voor hun kind zijn of hoe ze een moment in hun dagelijks leven kunnen reserveren om voor te lezen, te praten of liedjes te zingen met hun kind. Controleren of dat echt gebeurt kan natuurlijk niet, maar soms vertelt een kind spontaan dat een van de ouders hem heeft voorgelezen of een boekje voor hem heeft gekocht.

Binnenkort start Madelon weer met een nieuwe reeks aan voorleesuren met Ensar, een jongen van 4. Het liefst met versjes uit Het Fluitketeltje of De Spin Sebastiaan; een van haar lievelingsboeken.


De VoorleesExpress heeft behoefte aan nieuwe vrijwilligers.
Zie voor meer informatie: www.voorleesexpressamsterdam.nl of neem contact op via 020-3059276 of amsterdam@voorleesexpress.nl.

Levenslang leuk wonen: Stadsdorp De Pijp

Datum: 2 mei 2019 / Editie: Mei 2019 / Auteur(s): Margot van Pruissen

Initiatief Stadsdorp De Pijp bestaat in mei vijf jaar. Maar wat is het eigenlijk? Een dorp in de stad? Wat is de link met modern nabuurschap? Is het voor iedereen en wat heb je eraan als bewoner van De Pijp? De Pijp Krant sprak met een aantal leden van het Stadsdorp De Pijp over hun activiteiten, het aanstaande lustrum en over de plannen voor de toekomst.

Yol Köster (66) is vanaf de start van het initiatief betrokken bij Stadsdorp De Pijp. Zij woonde geruime tijd op de Ceintuurbaan, verhuisde naar het rustige Zuidoost en kwam na vijfentwintig jaar weer terug. Toch te veel een stadsmens!

Zij vertelt over de start: “Een kleine groep mensen wilde vorm geven aan nabuurschap, want ja, dat is het eigenlijk. Als je ouder bent, wil je gewoon in je eigen woning blijven wonen, met een beetje ondersteuning van mensen uit de buurt. Maar dan moet je die mensen wel kennen.”. Yol reageerde op een oproep in een lokale krant waarbij zij haar interesse meldde. Zo is de bal gaan rollen en heeft het Stadsdorp De Pijp vorm gekregen. Vandaag de dag telt het Stadsdorp De Pijp 145 leden en bestaat het binnenkort vijf jaar.

Diverse Stadsdorpsgezichten
Titia van Grol (63) is sinds twee jaar voorzitter en woont ruim veertig jaar in De Pijp. Zij vult aan: “Er zijn vierentwintig Stadsdorpen in Amsterdam en een viertal in de omringende gemeenten, maar ieder Stadsdorp heeft zijn eigen vorm en is soms heel anders georganiseerd en anders van structuur.

Wij zijn een vereniging, maar er zijn ook stichtingen of zoals in de Nieuwmarktbuurt, een beweging. Sommigen Stadsdorpen hebben een leeftijdgrens, zoals wij tot begin dit jaar ook hadden maar nu niet meer. En sommige dorpen heffen contributie, net als wij, maar anderen doen dat weer niet.”.

“Dat is eigenlijk ook wel het leuke van een Stadsdorp.”, vindt Titia. “Het is geen onderdeel van een community maar los van elkaar georganiseerd. De structuur past bij de wijk. Het is echt buurtgericht,
in die zin heeft elk Stadsdorp een eigen karakter.” Overeenkomstig is wel dat in ieder dorp wordt nagedacht over de collectieve thema’s zorg en wonen.

Binnenbuurten
Om mensen te leren kennen en het makkelijker te maken om een beroep op elkaar te doen, zijn er in het Stadsdorp binnenbuurten georganiseerd. Afhankelijk van de behoeften organiseren zij zaken binnen hun afgebakend gebied en dat kan van alles zijn.

Zo vertelt Yol Köster dat in haar binnenbuurt een groepje alleenwonenden een waarschuwingssysteem heeft opgezet in geval van nood. Het Stadsdorp biedt de kans om diverse activiteiten te ondernemen met gelijkgestemden. Het aanbod is gevarieerd, van het oplossen van cryptogrammen uit de krant tot deelname aan diverse kook- en eetclubs. Ook dansen behoort tot de opties! Daarnaast zijn er ook nog inloopavonden met als doel het ontmoeten van de andere Stadsdorpgenoten uit De Pijp.

Yol: “Wij zijn begonnen als een vereniging om leuke activiteiten te organiseren waarmee je een netwerk op basis van gelijkwaardigheid opbouwt. Als je elkaar nu al kent, dan is het gemakkelijker contact te leggen en vraag je elkaar ook iets gemakkelijker.“

Opzet geslaagd?
Volgens Yol Köster is dat het geval. “Er zijn echt voorbeelden van mensen uit de buurt die makkes kregen en door hun buurt zijn opgevangen. Zij konden dus gebruik maken van een nabij netwerk om hen bij praktische zaken te ondersteunen. In de binnenbuurten zie je ook vaak mooie en praktische initiatieven ontstaan.” Zo ook in haar eigen kring: als zij ’s avonds haar avondwandelingetje maakt, vraagt zij vaak een buurtgenoot mee die door zijn gezondheidsklachten wat meer moet bewegen.

Volgens Titia van Grol werkt het zeker op een bepaald netwerkniveau, maar verschilt het wel per binnenbuurt. Zij constateert nog wel een grote ‘vraag- verlegenheid’: “Het is toch wel moeilijk om hulp te vragen als je echt iets mankeert. Zeker na een zelfstandig geleid leven.”.

Ook daarbij kan het Stadsdorp overigens een helpende hand bieden en haar leden adviseren.

Voor iedereen
Binnen het Stadsdorp wordt actief nagedacht over het uitbreiden van het ledenbestand, met liefst wat meer diversiteit in achtergrond en leeftijdsopbouw. Iedereen kan sinds begin dit jaar lid worden: de eerder gehanteerde leeftijdsgrens is losgelaten. Verder hoopt men bij de inloopbijeenkomsten en bij de open dag in de Oranjekerk op zaterdag 18 mei nieuwe mensen te interesseren. Introducees zijn bij de inloopavonden welkom en ook andere groepen worden uitgenodigd.

 


Jubileumviering Stadsdorp De Pijp
Op 18 mei 2019 viert Stadsdorp De Pijp haar vijfjarige bestaan.
Kom ook naar de Open Dag in de Oranjekerk met informatiemarkt, optredens, veiling.
Van 11.00-17.00 uur, toegang is gratis