Nazomer festival weer kleinschalig

Datum: 1 augustus 2010 / Editie: August 2010 / Auteur(s): Christine Westerveld

Het Nazomerfestival in De Pijp begon in 1999 als kleinschalig straatevenement onder de naam Albert Cuypfeest. In de laatste paar jaar groeide het uit tot een groot festival. Hierdoor dreigde het buurtkarakter verloren te gaan. Daarom wil de organisatie terug naar de oorsprong.

Beginjaren
Mayra Paula, als opbouwwerker verbonden aan het Wijkcentrum Ceintuur en sinds een paar jaar betrokken bij de organisatie van het Nazomerfestival vertelt hoe het begon. “Het idee was om de Albert Cuypstraat één dag in het jaar terug te geven aan de bewoners, die zes dagen in de week last hebben van de markt. Er was een brunch, een bakfietsrace, een plantjesmarkt en buurtbandjes zorgden voor de muziek, heel kleinschalig allemaal”.

Als datum voor het festival werd gekozen voor de autovrije dag, die – op voorspraak van verschillende milieugroeperingen – in 1999 voor het eerst in Amsterdam plaatsvond. Teleurgesteld dat de gemeente alleen de binnenstad afsloot voor autoverkeer, besloot de werkgroep Verkeer van het Wijkcentrum Ceintuur (die zich ook sterk had gemaakt voor de autovrije dag) op die bewuste dag zélf ook een evenement te organiseren. En dat werd het Albert Cuypfeest.

Aanvankelijk speelde het festival zich af op het gedeelte van de markt bij de Ferdinand Bolstraat, maar geleidelijk aan breidde het zich uit richting Eerste Sweelinckstraat en tenslotte naar de gehele markt plus de zijstraatjes. Steeds meer ondernemers en instellingen uit de buurt huurden een kraam. In 2003 kwam coördinator van deze krant, Gert Meijerink, op het idee om tijdens het festival ook een laagdrempelige kunstmarkt te organiseren. Paula: “Dat was zo’n groot succes dat deze ‘KunstCuyp’ sindsdien vast onderdeel is van het Nazomerfestival”. Aan de KunstCuyp is een prijs verbonden, de ‘Prix d’Albert’, voor de origineelste inrichting van een kraam.

Te groot, onherkenbaar
Twee jaar geleden haakte de gemeente aan bij het festival. “Die huurde een extern organisatiebureau in, dat het gehele eerste gedeelte van de markt reserveerde en vorig jaar ook nog eens het Marie Heinekenplein erbij betrok. “Voor de promotie van elektrisch vervoer”, vertelt Paula. “Met grote witte tenten, baniers en een racecircuit met hooibalen kreeg het festival een heel andere uitstraling. Het was voor veel mensen niet meer duidelijk dat het hier om een buurtfestival ging. Ook de met een eenmalige subsidie van het stadsdeel, samen met Muziekcentrum De Badcuyp, ingehuurde professionele bands gaven het festival een andere uitstraling dan de (amateur)bandjes uit de buurt die vroeger vaak optraden.”

Daar komt nog eens bij dat bij de onderhandelingen voor het nieuwe college van Amsterdam afgesproken is dat er dit jaar geen autovrije zondag komt, waarmee ook de koppeling van het Nazomerfestival aan deze dag komt te vervallen. Alles bij elkaar was er voldoende aanleiding tot bezinning bij de organisatie van het festival. Besloten werd om terug te keren naar de oorspronkelijke bedoeling van het wijkopbouwwerk. “Uiteindelijk gaat het erom dat bewoners, ondernemers en instellingen in De Pijp zich aan elkaar presenteren en dat er contacten worden gelegd”, aldus Paula.

Kleinschaligheid
Omdat volgens de organisatie juist de kleinschaligheid zo karakteristiek is voor De Pijp, heeft men er dit jaar voor gekozen het Nazomerfestival het thema ‘lokale economie’ mee te geven. Ook omdat kleinschaligheid ‘een positieve bijdrage kan leveren aan milieu en leefbaarheid in een buurt’, zaken waarvoor vanuit het Wijkcentrum van oudsher altijd veel aandacht is geweest.

Twee groeperingen uit de buurt zijn dit jaar nauw betrokken bij het festival: Bewonersgroep ‘Transitie De Pijp’ en de ‘Vereniging van Ambachtelijke Bedrijven’ in De Pijp. Transitie De Pijp streeft ernaar leven, wonen en werken minder afhankelijk te maken van fossiele brandstoffen en duurzaamheid voorop te stellen. In de Vereniging van Ambachtelijke Bedrijven in De Pijp is zo’n dertigtal ambachtslieden verenigd, die – anders dan bij massaproductie – hun vakmanschap willen aanwenden om maatwerk te leveren, waarbij kwaliteit en service voorop staan.

Verstrooiing
Naast de markt, waar men voor informatie en presentaties terecht kan, zijn de vele diverse optredens, verspreid over drie podia, een belangrijk onderdeel van het festival. Het Buurtpodium, ‘Parels in De Pijp’ geheten, is voor muzikanten uit de buurt. Verder is er een Kunstpodium, voor alle andere kunstvormen, zoals theater en bijvoorbeeld een modeshow. En er is een apart Kinderpodium, waar kinderen t/m 12 jaar hun kunsten kunnen vertonen. Paula: “Het bijzondere daaraan is, dat de stroomvoorziening wordt aangefietst door volwassenen, ouders trappen voor hun kinderen”. De buurtbrunch, van begin af aan één van de kernonderdelen, het eigenlijke hart van het festival, komt in de Eerste van der Helststraat. “Dat is nou een voorbeeld van een echte buurtactivititeit, waarvoor ook geld beschikbaar wordt gesteld uit het zogenaamde ‘leefbaarheidsbudget’ (een gemeenschappelijk budget van gemeente, woningbouwverenigingen en welzijnswerk, (red.)), vertelt Mayra Paula. “Mensen ontmoeten elkaar tijdens een maaltijd en vinden van daaruit hun weg langs de kramen en activiteiten.”

Zondag 12 september is het zover: op het 12de Nazomerfestival, voor en door buurtgenoten, kan men ouderwets genieten van de ‘couleur locale’ van De Pijp.

Beeldende kunst, Boeboes en boeken

Datum: 1 augustus 2010 / Editie: August 2010 / Auteur(s): Christine Westerveld

Op weg naar bibliotheek Cinétol in de Tolstraat loop ik Marijke van Mil tegen het lijf, beeldend kunstenares, met wie ik 17 juli kennismaakte tijdens de feestelijke opening van haar tentoonstelling ‘Sprookjes, poëzie en spannende verhalen’ in diezelfde bibliotheek.

Ik vertel haar dat ik enthousiast ben over haar veelzijdige werk en dat ik er nog eens op m’n gemak naar wil kijken. Zij heeft tijd en biedt aan om mij een privé-rondleiding te geven. Toeval bestaat niet,
denk ik dan.

Bij binnenkomst in de bibliotheek worden we enthousiast begroet door een van de medewerkers, die vertelt dat de exposities in Cinétol over het algemeen goed bezocht worden en dat er ook voor deze tentoonstelling van Marijke van Mil – ondanks de vakantietijd – veel belangstelling is. Een goed begin van onze ronde.

We beginnen bij de entree, waar twee grote textielwerken hangen: de één ‘Geboorte van de broers’ geweven, de ander ‘Broers’, geborduurd. In de werkplaats van het Textielmuseum in Tilburg werden de twee door haar aangeleverde afbeeldingen op deze manier ‘vertaald’. Op de andere grote muren bij de ingang hangt een zevental hoogwaardige pigmentdrukken, zowel op canvas als op aluminium, vol kleurrijke menselijke figuren. De werken hebben geen titel, maar ze zijn “gebaseerd op oude volksverhalen en mythologieën en de grote thema’s van de mens”, vertelt Marijke.

Dan begint onze wandeling langs de boekenkasten, waar tekeningen en prenten hangen. De tekeningen zijn gemaakt als illustraties bij het ook door haar geschreven Surinaamse volkssprookje ‘Zout’. Want behalve beeldend kunstenares is Marijke ook schrijfster en verhalenvertelster. Marijke: “Ik ben begonnen met verhalen van mijn oma uit Suriname, maar inmiddels heb ik een uitgebreid eigen repertoire, waarmee ik door het land reis”. Maar vandaag gaat het om haar beeldende werk, dus verder met de rondleiding. We lopen langs de prenten, die een combinatie zijn van handwerk en digitale bewerking. “Het begint met pen op papier en acrylverf en later bewerk ik ze op de computer”, vertelt Marijke. Ik val direct voor één van de prenten. Gelukkig zijn ze ook te koop.

We vervolgen onze weg. De tentoonstelling gaat verder op de bovenverdieping van de bibliotheek. Er hangen twee panelen, twee laminaatstroken beschilderd met stift en op de galerij hangen textieldrukken. Een decordoek dat Marijke gebruikt bij haar vertellingen op scholen en in het theater en een serie ‘Boeboes’. ‘Boeboes’, een door Marijke zelf bedacht woord, zijn fantasiefiguren, geïnspireerd op verschillende oude religieuze culturen: Azteken, Kelten en Afrikaanse culturen. “De mythen, de oude verhalen van de mensheid, die hebben altijd mijn interesse gehad, dat is wel mijn onderwerp”, besluit Marijke de rondleiding.

Beneden bij de balie ligt naast de prijslijst van de tentoongestelde werken ook een boek: ‘De zingende drum’, geschreven door Marijke van Mil en te leen in de bibliotheek. Waaruit blijkt dat deze tentoonstelling hier in Cinétol echt op haar plaats is.

Meer over Marijke op www.mops.nl

Waar laat ik mijn fiets !?

Datum: 1 juli 2010 / Editie: July 2010 / Auteur(s): Christine Westerveld

Amsterdammers fietsen. Bij elkaar bezitten zij 550.000 fietsen, waarop gemiddeld per dag zo’n 2 miljoen kilometer wordt afgelegd over 400 kilometer fietspad (bron: dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer). Hoe dichter bij het centrum des te aantrekkelijker de fiets. Maar al die fietsen moeten ook ergens geparkeerd worden. In de binnenstad en de aangrenzende buurten overstijgt de vraag naar fietsparkeervoorzieningen al jaren het aanbod. Dit leidt tot overlast en irritaties, bij fietsers én overige weggebruikers.

Bewoners en bezoekers, langparkeerders en kortparkeerders
Ook in De Pijp leeft het probleem. Wie kent het niet, de fietsenchaos rond de Albert Cuypmarkt, de Albert Heijns, de Hema en de horecagelegenheden. Als de Noord/Zuidlijn af is, kan het metrostation Ceintuur daar als knelpunt aan toegevoegd worden (in het ontwerp van het metrostation is geen rekening gehouden met een fietsenstalling).

De fietsenrekken puilen uit, de doorgang op pleintjes en stoepen wordt vaak versperd door kriskras geparkeerde (bak) fietsen en scooters. Voor mensen in rolstoelen, met rollators of kinderwagens, is er vaak geen doorkomen aan; voetgangers in de Ferdinand Bolstraat moeten regelmatig uitwijken naar het fietspad, waar zij het risico lopen te worden uitgescholden door – jawel – passerende fietsers. En dan betreft het hier alleen nog maar bestemmingsverkeer, bezoekers, kortparkeerders.

Ook bewoners van – met name – De Noord-Pijp kunnen hun fiets vaak niet meer kwijt voor hun deur. Bewoners van benedenwoningen laten via stickers en allerlei ludieke briefjes weten geen fietsen tegen hun raam te willen, de fietsenrekken zijn overvol, ook met fietswrakken en achtergelaten fietsen, en alle bomen en paaltjes zijn ‘bezet’. Op de stoepen in de langgerekte straten kan er geen fietsenrek meer bij. Waren het eerst alleen de automobilisten die moesten zoeken naar ‘een parkeergaatje’, fietsers hebben in toenemende mate hetzelfde probleem. Maar waar de parkeerproblemen rond de auto inmiddels zijn gereguleerd via parkeervergunningen, parkeergeld, controleurs, boetes en een wegsleepregeling, wacht het fietsparkeerprobleem nog op een oplossing.

Meerdere partijen met tegenstrijdige belangen
De centrale stad, het stadsdeel, ondernemers, bewoners, fietsers en automobilisten, allen zijn partij in het probleem, maar ze delen niet dezelfde verantwoordelijkheid of hetzelfde belang.

‘Amsterdam kiest voor de fietser’, zoals de titel van een gemeentelijke brochure luidt, maar de centrale stad, verantwoordelijk voor fietsparkeervoorzieningen bij ‘stadsdeeloverstijgende bestemmingen’ (zoals de Albert Cuypmarkt en de Noord/Zuidlijn(!)) kijkt ook kritisch naar de (exploitatie)kosten. Het stadsdeel Zuid, verantwoordelijk voor fietsparkeervoorzieningen voor bewoners, moet tot 2014 24 miljoen bezuinigen en zal dus wikken en wegen waar het geld naar toe gaat. Bovendien dient het stadsdeel rekening te houden met de belangen van alle bewoners en ondernemers in de buurt, niet alleen met die van de fietsers. Ondernemers hebben er belang bij dat hun zaak voor iedereen goed bereikbaar is. Uitbaters van horecagelegenheden hebben liever een terras voor de deur dan fietsenrekken. De werkgroep ‘fietsparkeren in De Pijp’ van het Wijkcentrum Ceintuur pleit voor het opheffen van autoparkeerplekken ten behoeve van fietsenrekken en automobilisten zeggen op hun beurt, dat ze al genoeg hebben ‘ingeleverd’.

Alles draait om ruimte en geld, of beter gezegd het gebrek daaraan.

Gedrag
Dan is er nog een belangrijk aspect dat meespeelt bij het succesvol oplossen van het probleem, namelijk het gedrag van de fietser. We mogen ervan uitgaan dat de centrale stad en het stadsdeel, die naar eigen zeggen het fietsbeleid tot speerpunt hebben gemaakt, alles in het werk zullen stellen om de fietsparkeerdruk in De Pijp te verminderen. Stel dat zij, door gebrek aan ruimte ‘op het maaiveld’, dit willen bewerkstelligen met inpandige of ondergrondse fietsenstallingen, zal daar dan ook gebruik van gemaakt worden? Zullen bewoners en bijvoorbeeld bezoekers van de Albert Cuypmarkt bereid zijn iets verder te lopen naar hun fiets om daarmee ruimte vrij te maken op de stoepen? Bij een kleine rondvraag onder bezoekers van de markt is ‘ik denk het niet’ het meest gehoorde antwoord. Men heeft de fiets het liefst zo dicht mogelijk bij zich. Maar misschien zullen fietsers de omschakeling moeten maken, die automobilisten – weliswaar op straffe van – ook hebben moeten maken. Of zal het zover komen, dat er ook voor fietsen een soort registratiesysteem komt, een dienst Parkeerbeheer, boetes en een directe wegsleepregeling?

Eigen bijdrage
Behalve afwachten hoe de gemeente en het stadsdeel dit probleem gaan oplossen, kunnen bewoners ondertussen toch ook zelf alvast hun steentje bijdragen. Bijvoorbeeld door het vaker melden van zogenaamde ‘kwak- en smakfietsen’, fietswrakken en ‘weesfietsen’ bij de dienst Openbare Ruimte van het stadsdeel (die daar dan wel snel en adequaat op moet reageren). Én door bij het parkeren van hun fiets meer rekening te houden met de overige weggebruikers.

Een ding is duidelijk, het fietsparkeerprobleem is zeer complex. Zo complex, dat je je kunt afvragen óf het wel op te lossen is, of dat we moeten accepteren dat het nu eenmaal bij het leven in Amsterdam hoort.

Eén ding zou ik zeker wel blijven doen: fietsen!

‘Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten’

Datum: 1 mei 2010 / Editie: May 2010 / Auteur(s): Christine Westerveld

Lopend door de Van Woustraat werd mijn aandacht getrokken door drie in het zonlicht glinsterende steentjes in het trottoir, ter hoogte van nummer 174. Het bleken drie gedenksteentjes te zijn.

Navraag leverde op dat het hier om zogenaamde ‘stolpersteinen’(struikelstenen) gaat, gemaakt door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, die in 1994 begon met zijn Stolpersteinen-project. Zijn bedoeling is voorbijgangers onverwacht te confronteren met de geschiedenis van een plek. Men ‘struikelt’ als het ware figuurlijk over de stenen.

Op de stenen staan – in een messing plaatje gegraveerd – de namen, geboortedatum, deportatiedatum en plaats en datum van overlijden van de bewoners die in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s zijn gedeporteerd en vermoord. In Europa liggen inmiddels honderden van deze door Demnig gemaakte steentjes.

Op nummer 174 in de Van Woustraat woonde in de oorlog Anna Dresden-Polak met haar man Barend Dresden en hun dochtertje Eva. Anna Polak maakte in 1928 deel uit van de turnploeg die op de Olympische Spelen in dat jaar goud won. Vier joodse turnsters uit deze ploeg en hun trainer werden tijdens de Twee Wereldoorlog afgevoerd naar concentratiekampen. Slechts één van hen overleefde het.

Om de prestaties van deze mensen en hun tragische lot aan de vergetelheid te onttrekken nam het Olympisch Stadion het initiatief voor de steenleggingen, die op 10 april plaatsvonden. Want zoals Gunter Demnig zegt: “Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten.”

Anna Polak en dochtertje Eva stierven in Sobibor op 23 juli 1943, respectievelijk 36 en 6 jaar oud. Barend Dresden stierf in Auschwitz op 30 november 1944, 38 jaar oud.

Ook voor de andere vermoorde leden van de vrouwenturnploeg en de trainer werden ‘stolpersteinen’ gelegd voor hun voormalige woonhuizen in Amsterdam en Utrecht. Het gaat om de turnsters Estella Blits-Agsteribbe, Helena Kloot-Nordheim, Judikeje Themans-Simons en Gerrit Kleerekoper.

Wie is er bang voor stadsnatuur?

Datum: 1 december 2009 / Editie: December 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Het Natuur- en milieuteam (NMT) De Pijp bestaat tien jaar en vierde dit op 10 december met een bijeenkomst met als motto ‘Wie is er bang voor stadsnatuur?’

In Restaurant De Kas, gehuisvest in de voormalige stadskwekerij in park Frankendael in Watergraafsmeer, verzamelden zich rond d veertig genodigden voor een middagvullend programma: lunch, de geschiedenis van het NMT, een mysteryguest, werkgroepen en een borrel. Politici en ambtenaren van stadsdeel Oud-Zuid, beleidsmakers van de Dienst Ruimtelijke Ordening, medewerkers van woningcorporaties en natuur- en milieuorganisaties, architecten en bewoners. Allemaal, beroepshalve of vrijwillig, bezig met natuur en milieu in het algemeen en/of in De Pijp in het bijzonder.

Lunch
De keuze voor de ‘buitenPijpse’ locatie was begrijpelijk. Restaurant De Kas is gelegen in stadsnatuur en verbouwt zijn eigen groenten en kruiden en werkt vanuit het principe dat de oogst van het land, dus de natuur, bepaalt wat er gegeten wordt. De geserveerde vis en het vlees zijn verantwoord en traceerbaar. Het resultaat mag er zijn.

Tijdens een overheerlijke lunch hadden de gasten gelegenheid tot een eerste of nadere kennismaking met elkaar, wat goed lukte, want het programma liep al direct een uur uit. Geen probleem, want gezelligheid kent immers geen tijd!

Geschiedenis
Maar toen was daar toch het moment voor een terugblik op 10 jaar NMT De Pijp. Thea van Dammen, vanaf het eerste uur betrokken bij het NMT, schetste kort de ontstaansgeschiedenis en gaf een overzicht van de huidige activiteiten. Zij vertelde hoe bewoners in de jaren zeventig begonnen met het verwijderen van stoeptegels om planten te plaatsen en hoe zij dit volhielden totdat begin jaren negentig het stadsdeel besloot dit te gaan reguleren door het aanbieden van ‘stoeprandjes’, aarde en klimplanten. In 1994 verenigden buurtbewoners zich in een werkgroep natuur en milieu, die een eerste geveltuinendag organiseerde. In 1996 wist de groep vrijwilligers bij het stadsdeel een bedrag los te praten voor de aanleg (door de gemeente en het waterschap) van 100 watertuinen in de Boerenwetering, op voorwaarde dat de vrijwilligers het onderhoud voor hun rekening zouden nemen. En dat doen zij nu al dertien jaar!

In 1999 groeide het besef dat er een professionele basis moest komen voor het aansturen en begeleiden van de vrijwilligers en het stroomlijnen van de activiteiten. Met de toekenning van 60.000 gulden werd het NMT, met één vaste medewerker en twee gesubsidieerde banen, een feit. Bewust zocht men onderdak in het wijkcentrum, vanwege de al aanwezige faciliteiten, maar nog meer ‘omdat daar mensen uit alle lagen van de bevolking binnenlopen, die dan zien dat je vrijwilliger kunt worden bij het NMT. Een formule die heel goed werkt’. Inmiddels zijn de activiteiten van het NMT uitgebreid met cursussen, excursies, vogelwerkgroepen, het Groen Gemaal in het Sarphatipark (ruilen van plantjes en lenen van tuingereedschap), het onderhouden van de ‘bijbelse tuin’ bij de Oranjekerk en de bomenridders, koene strijders tegen het onnodig kappen van bomen.

Mysteryguest
Laat ik nu altijd gedacht hebben dat een mysteryguest tot het laatst bij het publiek onbekend moest blijven. Maar zo niet deze middag, want hij bleek al de hele tijd bij ons aan tafel te zitten, Martin Melchers, de stadsecoloog die dit jaar afscheid nam. Hij was naar eigen zeggen ‘derde keus’, wat voor hem misschien wel wat teleurstellend was, maar toch niet voor zijn gehoor. Wie kan er boeiender en bevlogener vertellen over stadsnatuur dan hij? Melchers lardeerde zijn verhaal met dia’s van Amsterdamse stadsnatuur. Wezels, vossen, vissen en vogels, plantjes, paddenstoelen, insecten, reptielen, vlinders en schelpen trokken aan ons voorbij, terwijl hij vertelde hoe het beleid ten aanzien van stadsecologie door de jaren heen veranderd was. Van gif spuiten ging men over op het mechanisch verwijderen van onkruid, waarna het besef groeide dat er geen reden was om bang te zijn voor stadsnatuur en men die natuur steeds vaker haar gang liet gaan. Natuur kan in een stad heel snel ontstaan door bijvoorbeeld het aanleggen van poelen, ‘plantenvlotjes’, muurtjes, groene daken en gevels en ‘zones waar je niets doet’. Melchers benadrukte het belang van het zoeken van de publiciteit met de tot nu toe behaalde resultaten, want dat zal de politiek stimuleren om te investeren in nieuwe projecten. En om bij stadsplanning al in de ontwikkelingsfase rekening te houden met de wisselwerking tussen mensen, dieren en planten. Tot slot pleitte hij voor de oprichting van een Natuurhistorisch Museum in Amsterdam en de plaatsing van een ondergrondse glaswand, waardoor het onderwaterleven geobserveerd kan worden.

Werkgroepen
Toen was er werk aan de winkel voor de genodigden. In groepjes werd er gesproken over ‘Watertuinen, lust of last?’, ‘Stadsnatuur, een rendabele investering?’ en ‘Binnentuin of buitenkamer?’

De werkgroep Watertuinen kwam met een paar suggesties ter verbetering van et project. Zij stelde voor het veelvuldig in de watertuinen aangetroffen afval van de Febo en McDonald bij de snackketens terug te brengen en er een vergoeding voor te vragen, die dan weer aangewend kan worden voor het onderhoud. Bedrijven zijn gevoelig voor imagoschade. Verder zou het plaatsen van een rij palen langs de watertuinen het regelmatig losslaan door golfslag kunnen voorkomen. Het zou botenbezitters eigenlijk onmogelijk gemaakt moeten worden met te hoge snelheid te varen, maar hoe? Vervolgens werd er nog voorgesteld om, als de bouw van een parkeergarage onder de Boerenwetering doorgaat, het voorstel van Martin Melchers om een ‘onderwatervenster’ te plaatsen direct mee te nemen in het project, dan kan de Boerenwetering als een groen/blauwe loper deel uitmaken van een toeristische route.

Belangrijkste voorstel van de werkgroep Stadsnatuur was om een begin te maken met de aanleg van groene daken en gevels (luchtfiltering, waterbeheer, isolatie) in de vorm van een voorbeeldproject, om particuliere ontwikkelaars en woningcorporaties hiervoor te enthousiasmeren.

De werkgroep Binnentuinen maakte onderscheid tussen gemeenschappelijke binnentuinen en particuliere tuinen. Probleem bij het onderhoud van gemeenschappelijke binnentuinen is de geringe bewonersparticipatie, waardoor de woningcorporaties zich genoodzaakt zien het onderhoud uit te besteden, hetgeen weer tot ongewenste huurverhogingen kan leiden. In particuliere tuinen wordt in toenemende mate het ‘gammasyndroom’ gesignaleerd: betegelen, schuttingen en tuinmeubilair plaatsen en de buitenkamer is geboren. Gevolgen: aantasting van flora en fauna, slechte waterbeheersing en geluidsoverlast. Als oplossing zouden woningcorporaties contractueel een maximaal toelaatbare bestrating kunnen vastleggen. Een andere mogelijkheid is een meldpunt te creëren voor tuinbezitters die hun tuin niet kunnen of willen onderhouden en voor tuinliefhebbers zonder tuin die het onderhoud graag voor hun rekening nemen, bijvoorbeeld etagebewoners die op de tuinen uitkijken.

Gemeenschappelijke conclusies
Woorden die in alle werkgroepen vielen waren: informatie, coördinatie en organisatie. Om mensen natuur- en milieubewust te maken is goede informatieverstrekking heel belangrijk. Dit kan via flyers, maar ook de buurtkrant kan hier een rol in spelen.

En het werken met vrijwilligers brengt de continuïteit op de lange termijn in gevaar. De eindverantwoordelijkheid hoort bij professionals te liggen.

Ook vond men het tijd voor een ‘overstijgende’ aanpak. Er is sprake van een grote versnippering van natuur- en milieugroepjes. Het zou goed zijn als er verbindingen worden gelegd en dat men zich goed organiseert. Het opzetten van een website waar alle buurtinitiatieven zichtbaar gemaakt worden zou hierbij kunnen helpen.

Het was een mooie middag waarop het NMT kreeg voldoende ideeën en suggesties aangereikt om nog minstens eens tien jaar door te kunnen.

Voedselbank Oud-Zuid staat onder druk

Datum: 1 december 2009 / Editie: December 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Sinds 24 november heeft De Pijp zijn eigen sterrenrestaurant. Die dag kreeg ‘Le Restaurant’ aan de Tweede Jan Steenstraat een Michelinster. Een felicitatie waard. Je kunt daar voor minimaal 100 euro per persoon voortreffelijk dineren. Maar er zijn in De Pijp mensen die met zo’n bedrag een maand moeten zien rond te komen. Zij kunnen een beroep doen op de voedselbank.

Vraag en aanbod
De voedselbank Oud-Zuid is een van de dertien voedselbanken in Amsterdam, die vallen onder de Stichting Voedselbank Amsterdam. Gezinnen die minder dan 225 euro per maand aan voeding en kleding te besteden hebben, kunnen een beroep doen op deze voorziening, voor alleenstaanden is dat 175 euro.

Marius Singels, gepensioneerd ‘spoorman’ en sinds ruim een jaar coördinator van de voedselbank Oud-Zuid, zag in dit jaar het aantal verstrekte voedselpakketten stijgen van 44 naar 110. “En dan moet het effect van de huidige economische crisis nog komen”, vreest hij. En waar de hulpvraag toeneemt ziet de voedselbank, die volledig afhankelijk is van giften, het aanbod van voedseloverschotten van grote bedrijven slinken. De overproductie is minder geworden als gevolg van de huidige recessie. Daarom voert de voedselbank nu regelmatig zogenaamde ‘supermarktacties’, waarbij vrijwilligers het winkelend publiek aanspreken om ter plekke donaties in natura te doen. Hierop wordt gelukkig goed gereageerd en er wordt gul gegeven. Ook kleine middenstanders en particulieren uit de buurt dragen een steentje bij. Regelmatig worden er bij welzijnsorganisatie Combiwel, medeoprichter van de voedselbank, in buurthuis De Pijp restpartijen en boodschappen afgegeven. En een buurtcafé bracht met een sponsorfietstocht 1000 euro bijeen om de kinderen een dagje uit te bezorgen. Singels: “de voedselbank biedt mensen in deze individualistische maatschappij de gelegenheid om direct en concreet iets voor een ander te doen, dat is zo mooi.”

Ruimtegebrek
Maar behalve de zorg over het toenemende spanningsveld tussen vraag en aanbod kampt de voedselbank nog met een ander probleem: ruimte! Combiwel biedt één middag per week onderdak in het buurthuis in de Tweede van der Helststraat voor het voeren van intakegesprekken, in de Lutmastraat staat een container voor de eigen voorraad en de uitgifte van de voedselpakketten vindt plaats in het voorportaal van de Vredeskerk in de Pijnackerstraat.

Het is verre van ideaal. Er is geen ruimte om tot gesprekken met klanten te komen en het is te openbaar. Gebruikers van de voedselbank lopen liever niet met hun armoede te koop. Het hele proces van het aanleveren van de levensmiddelen vanuit de centrale loods in Amsterdam Oost, het uitladen, het samenstellen van de pakketten, het helpen van de klanten tot en met het schoon achterlaten van de kerk moet in drie en een half uur plaatsvinden. Gelukkig is er een trouw en hecht team van vrijwilligers dat iedere week weer bereid is de handen uit de mouwen te steken. Maar het is duidelijk dat de voedselbank dringend behoefte heeft aan een eigen onderkomen, ruim genoeg voor alle activiteiten. “Dan kunnen we bijvoorbeeld ook cursussen budgetteren aanbieden en mensen leren hun administratie op orde te houden”, zegt Singels.

Politiek en misvattingen
Maar de voedselbank heeft geen financiële middelen en is afhankelijk van het stadsdeel voor subsidie. De huidige subsidie dekt alleen de kosten die de voedselbank Oud-Zuid aan de centrale moet betalen, € 3.50 per uitgegeven krat. Momenteel dus € 3.50 x 110 (aantal pakketten) x 50 ( aantal weken). Vorig jaar werd er € 11.000,– subsidie verstrekt, nu loopt er een aanvraag voor € 23.000,–. De PvdA en Groenlinks steunen Singels in zijn streven naar adequate huisvesting, de VVD niet. Deze partij is van mening dat ons sociale stelsel toereikend is en dat voorzieningen als de voedselbank mensen ‘verlamt’ en niet stimuleert om uit hun armoede te geraken. Daar wil Singels graag iets over kwijt. “De verstrekking van voedselhulp is aan strenge regels gebonden en duurt maximaal 3 jaar. Het is niet zo dat mensen hier tot in lengte van dagen in blijven hangen. Dit jaar hadden wij een uitstroom van 60%. Op het uitgiftepunt zijn regelmatig mensen aanwezig van het maatschappelijk werk en jeugdhulpverlening om mensen te interesseren en te animeren om aan activiteiten deel te nemen.

Er is een hele korte lijn van voedselbank naar bredere hulpverlening. Als onze klanten zich tot de overheid moeten wenden voor geld of goederen krijgen ze te maken met een enorme bureaucratie. Daardoor raken ze juist tussen wal en schip. Wij proberen mensen altijd met respect en warmte te benaderen, want dat ontbreekt vaak. Er wordt wel beweerd dat mensen het aan zichzelf te wijten hebben, maar dat bestrijd ik, het kan iedereen overkomen. De voedselbank is een begin om mensen uit hun isolement te halen, het gaat niet om voedsel alleen. Maar laten we eerlijk zijn, met een volle buik ben je tot meer bereid”.

‘Mensen en meningen verbinden’ – Jubileum 40-jarig bestaan Wijkcentrum Ceintuur

Datum: 1 november 2009 / Editie: November 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Wijkcentrum Ceintuur organiseerde ter gelegenheid van haar 40-jarig bestaan op 29 oktober een bijeenkomst in de Oranjekerk over het thema ‘Hoe houden we de bewoners aan zet?’ Een actuele vraag in het licht van de ophanden zijn de samenvoeging in 2010 van de stadsdelen Oud-Zuid en Zuider-Amstel tot één stadsdeel Zuid. Zal deze schaalvergroting de afstand tussen politiek en burgers niet verder vergroten? Zullen de wijkcentra hun rol als intermediair tussen politiek en bewoners in de huidige vorm kunnen blijven vervullen?

De bijeenkomst werd geopend door Frank van Dorp, voorzitter ad interim van het Wijkcentrum Ceintuur. Hij vertelde hoe hij De Pijp in veertig jaar zag veranderen van een ‘gribusbuurt’ tot ‘een van de meest gewilde buurten van Amsterdam’. Dat De Pijp zo’n gevarieerde ‘prachtwijk’ is geworden is volgens hem mede te danken aan het wijkcentrum en de actieve bewonersgroepen. Hij refereerde aan de woorden van Jan Schaefer, wethouder Stadsvernieuwing in de jaren zeventig: “Een mooie buurt bereik je het beste als je zoveel mogelijk mensen uit de buurt betrekt bij het beleid, bij de uitvoering daarvan en gebruik maakt van de ervaring en denkkracht van mensen.” Volgens Van Dorp is het van essentieel belang dat een wijkcentrum geworteld is in de buurt en een klein en overzichtelijk werkgebied heeft en dat de organisatie bestuurd wordt door de direct betrokkenen. Taak voor de toekomst is om de buurt leefbaar te houden voor iedereen, met de nadruk op iedereen.

Menselijke maat
Stadsdeelwethouder Eddy Linthorst belichtte in zijn betoog het spanningsveld dat is ontstaan tussen de voortschrijdende ontwikkeling van Amsterdam tot metropool en economische motor van Nederland én de belangen van de bewoners op buurtniveau. Hoewel, volgens hem, deze ontwikkeling de schaalvergroting van het lokale bestuur van veertien naar zeven stadsdelen rechtvaardigt, blijft het tegelijkertijd van belang dat de ‘menselijke maat’ op buurtniveau gehandhaafd blijft. Daarin zal de rol van de wijkcentra onontbeerlijk blijven. Aan hen de taak de bewoners te mobiliseren, te organiseren en tot een gelijkwaardige gesprekspartner te maken in het netwerk van alle belanghebbenden in de stadsontwikkeling. Omdat de stadsdelen zich hierin afhankelijk weten van de wijkcentra hoeven deze zich volgens Linthorst geen zorgen te maken over de financiering op lange termijn: “Bij alle bezuinigingen zijn de wijkcentra volledig ontzien,” aldus de wethouder. “Als het de lokale politiek en de wijkcentra lukt om vanuit hun ‘onderscheidende taken en verantwoordelijkheden gemeenschappelijke doelen te formuleren, van waaruit een gemeenschappelijk beleid ontwikkeld kan worden dat recht doet aan een gezamenlijk belang, zal er nog lang een vruchtbare samenwerking zijn”.

Wisselwerking
Vervolgens gaf Frank Achterkamp, jarenlang opbouwwerker in Oud-Zuid en nu werkzaam bij de Woonbond, zijn visie op de toekomst van de wijkcentra. Hij hield een vurig pleidooi voor kleinschaligheid. Op grond van zijn ervaring bij de Woonbond weet hij dat in de ‘aandachtswijken’ van (ex)minister Vogelaar juist in die wijken successen worden geboekt, waar bewoners verantwoordelijkheden hebben gekregen en het idee hebben dat ze (mede)eigenaars van hun buurt(organisaties) zijn. “Durf bewoners verantwoordelijkheid te geven!”, zegt hij nadrukkelijk. Wat hem betreft moeten de huidige vijf wijkcentra in Oud-Zuid blijven.

Liever nog ziet hij een uitbreiding van steunpunten. Als de wisselwerking tussen bewoners en het opbouwwerk, dat vaak uitgevoerd wordt in opdracht van het stadsdeel, goed op orde is, valt er aan beide kanten ‘enorm voordeel te boeken’. Maar dan is het wel belangrijk dat er continuïteit ontstaat in het opbouwwerk, dat eenmaal ingezet beleid meerdere jaren uitgevoerd kan worden. En dat niet, zoals nu, na iedere verkiezing of reorganisatie tussentijdse koerswijzigingen optreden. “Je moet eerst investeren voordat je kunt gaan bouwen, maar nu blijf je investeren en blijft het oogsten achterwege”.

Dalila Nemla vertelde hoe het wijkcentrum haar hielp om haar droom, een centrum voor Oriëntaalse cultuur in, te realiseren. De laagdrempeligheid van het wijkcentrum, de ‘gewone’ mensen die er werken en de kennis van zaken waren voor haar heel belangrijk in de totstandkoming van ‘De Levante’. Wel vindt zij dat het wijkcentrum ‘niet echt zichtbaar is in de buurt en een prominentere plek zou moeten krijgen met meer duidelijkheid voor de bewoners’.

Toekomst
Na de officiële sprekers kreeg ‘de zaal’gelegenheid te reageren. Veel reacties gingen over het woonbeleid, de bezuinigingen op het Wijksteunpunt Wonen, over huurdersbelangen versus ‘kopersprivileges’en de ‘veryupping’ van de buurt. De gesprekleidster wist de discussie telkens weer terug te voeren naar waar het deze middag over moest gaan: de toekomst van de wijkcentra in het algemeen. Er werd geopperd dat ‘de wijkcentra de krachten meer zouden moeten bundelen om in de toekomst een vuist te kunnen blijven maken naar de politiek’. Bewoners zouden ook in een vroeger stadium betrokken moeten worden bij plannen, ‘als je wacht op de inspraakavonden ben je al veel te laat!’.

De voorzitter van de winkeliersvereniging Ferdinand Bol deed een oproep om niet alleen aan de bewoners te denken, maar aan alle belanghebbenden in de buurt, dus ook de middenstanders.

Eén ding werd deze middag in ieder geval duidelijk: niemand twijfelde aan het belang van een wijkcentrum voor zowel burger als politiek. Frank van Dorp sloot de middag af met een bondige conclusie: “De tijd dat het wijkcentrum het socialisme predikte en stemadvies gaf is voorbij, de belangrijkste taak van het wijkcentrum in deze tijd is mensen en meningen met elkaar te verbinden”.

Rondje De Pijp

Datum: 1 juli 2009 / Editie: July 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Een impressie…

…van rondvarende bootjes

‘Voedselbank is bijna leeg’

Datum: 1 juni 2009 / Editie: June 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Net als de ‘echte’ banken, de financiële instellingen, hebben ook de voedselbanken te lijden onder de kredietcrisis.

Zo krijgt de voedselbank in De Pijp al enige tijd te weinig donaties om de honderd gezinnen in de buurt, die een beroep doen op de voedselbank, te ondersteunen in hun eerste levensbehoefte. Als gevolg van de economische crisis proberen producenten van levensmiddelen en winkels, de grootste leveranciers van de voedselbank, vraag en aanbod van producten nog scherper op elkaar af te stemmen. Hierdoor blijft er minder over voor de voedselbank.

Om de nood bij de voedselbank in De Pijp onder de aandacht te brengen voerde Combiwel, de organisatie voor welzijn en kinderopvang in Amsterdam, op vrijdag 8 mei een bliksemactie. Bij winkels in de buurt deelden werknemers van de Boston Consultancy Group, die van hun baas toestemming hadden gekregen om een dag vrijwilligerswerk te doen, flyers uit aan het winkelend publiek. Ze nodigden de klanten ook uit om bovenop de eigen boodschappen iets extra’s te kopen voor de voedselbank. Bij Albert Heijn aan het Cornelis Troostplein werd daar goed gehoor aan gegeven. Een mevrouw schonk zelfs een boodschappenwagentje vol levensmiddelen. En de Hema doneerde 24 kratten vol overgebleven paaseieren. Weliswaar niet de verantwoorde voeding uit de ‘Schijf van Vijf, die het Voedingscentrum’ adviseert te eten, maar een lekker chocolaatje gaat er natuurlijk ook wel in.

Deze bliksemactie was eenmalig, maar zolang het nodig is gaat het inzamelen van voeding voor de voedselbank gewoon door. Donaties zijn altijd welkom! De gezinnen die afhankelijk zijn van de voedselbank hebben vooral behoefte aan lang houdbare producten als rijst en pasta, bakolie, koffie en thee, fruit in blik, groente in blik, houdbare melk, suiker, soep in blik en houdbare vruchtensap. In de flyer staat uitdrukkelijk ‘geen alcohol’.

Blik op straat

Datum: 1 mei 2009 / Editie: May 2009 / Auteur(s): Christine Westerveld

Een impressie…