Afscheid van een parel in De Pijp

Datum: 10 april 2026 / Editie: April 2026 / Auteur(s): Myrthe van Schiak

In Memoriam Frank Mansro (1947 - 2026)

Als ik lekker had gekookt, bracht ik vaak een bordje eten naar beneden. Zijn ogen begonnen dan te stralen, en de mijne ook. Ik bleef dan even aan de bar zitten omdat ik wilde weten of het smaakte. Frank zei altijd dat ik lekker kon koken en ik geloofde hem.

In het vroege voorjaar streek ik op mooie dagen neer op zijn terras om de laatste bleke zonnestralen van de dag te vangen. Vaak kwam Frank dan even naast me zitten en kletsten we over mijn dag, zijn dag, de mensen die voorbijliepen en de lente die eraan kwam. Het waren momenten die ik toen al bewust opsloeg, zodat ik er later makkelijk bij zou kunnen.

Ik heb Frank in 2003 leren kennen als mijn buurman, en ik nam vorige maand afscheid van een dierbare vriend. Tien jaar lang woonde ik boven café Mansro van Franklin Mansro in de Eerste Sweelinckstraat. De vanzelfsprekendheid die goede buren kenmerkt, hadden wij vanaf het begin. Kopjes suiker gingen naar boven, krantjes naar beneden. We deelden de muizen, later de kakkerlakken, en een leven dat elke dag sprankelde in De Pijp van Amsterdam.

Avondenlang heb ik bij Frank aan de bar gezeten. Dat ene drankje werden rondjes van Jan en alleman, dat ene praatje een vurige discussie die je toch echt moest afmaken. Frank werd door iedereen geliefd en de stamgasten moesten zijn aandacht delen. Het grote voordeel was dat hij achter de bar stond en je wist dat hij geen kant op kon. De gesprekken met hem waren meteen oprecht, zonder opsmuk of dubbele agenda. We hadden het veel over zijn tijd in Suriname, over het leven en de dood en wat we daarmee aan moesten. Als we even uitgepraat waren, vroeg ik vaak of hij Whitney Houston op wilde zetten. ‘I Have Nothing’ galmde dan uit de speakers, en de clip kregen we er gratis bij op het grote scherm boven de bar.

Thuis
Als je bij Frank binnenkwam, kwam je thuis. Je wist nooit wie er zat, maar één ding wist je zeker: niet de doorsnee hippe garde die je in de andere tenten van de Pijp zag. Het was een bij elkaar geraapt zooitje van verhalenvertellers, stille Willies, vreemde vogels, paradijsvogels, verkapte (en minder verkapte) alcoholisten, stralende- en verloren zielen.

Mensen die de boot hadden gemist, er nog steeds op wachtten en mensen die erop zaten en over de reis vertelden aan iedereen die het horen wilde. Mensen die allemaal op hetzelfde moment even thuis wilden komen bij Frank. Als je aan zijn bar zat, werd je opgenomen in zijn huiskamer. We hadden elkaar en de wereld was ver weg. Morgen zouden we wel weer verder zien.

Soms, als er een verdwaalde toerist of een groepje studenten binnenkwam, zag je eerst een lichte frons. Zo’n interieur hadden ze niet verwacht na de Chocolate Bar en café De Punt. Maar als je een halfuurtje later weer in diezelfde ogen keek, was de blik veranderd. Er was iets geland wat wij allang wisten: deze plek is uniek.

De meeste stamgasten kwamen op eigen houtje, zoals stamgasten dat doen. Daardoor was het ook een beetje ieder voor zich. Je hoefde je niet mooier voor te doen dan je was. Er werd gesnauwd, soms geschreeuwd en altijd gesust door Frank. Iedereen deed zijn ding (of zelfs dat niet eens) en alles bestond naast elkaar op ca 6 m2 aan de bar. Dat zorgde soms voor geestige situaties.

Praatjesmakers die hun verhaal niet kwijt konden; valse noten van de bovenbuurvrouw (Frank zei dat ik goed kon zingen, en ik geloofde hem); iemand die opschepte over hoe lang en goed hij Frank kende tegen niemand in het bijzonder; niemand in het bijzonder die daarop aanging; en stamgast en beroepszwerver Sietse die in een zeldzame stilte vaak zijn kans greep met een anekdote over de politie, die hem weer eens wilde bekeuren voor ‘bedelen in het openbaar’, en die hij ooit gniffelend afsloot met de woorden: “… maar ze konden niks bewijzen.”

Zelfs de stille Willies gierden het uit en Frank had tranen in zijn ogen van het lachen. Als Frank begon te vertellen, hield je je mond want je wist: wat deze man zegt, snijdt hout. Hij gaf wijze lessen zonder belerend te zijn, vertelde stoere verhalen zonder de held uit te hangen.

Frank was een verbinder. Iemand die die ziel onder je arm even van je overnam en zei dat die boot vast nog wel zou komen, iemand door wie je je gezien voelde. Hij had een kroeg waar iedereen welkom was en een hart waar iedereen in paste.

Foto: Rob Godfried